Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

enim eos, qnia percusserat Ismahel filius Nathaniae Godoliam filium Ahicam, quem praeposuerat rex Babylonis in terra Juda.

deën; want zij vreesden hen, omdat Ismahel, de zoon van Nathanias, Godolias, den zoon van Ahicam. verslagen had, dien de koning van Babyion over het land Juda had aangesteld19).

CAPUT XLII.

HOOFDSTUK XLII.

De profeet wordt geraadpleegd over de afreis naar Egypte (v. 1—6). Antwoord des Heeren: gevolgen van hunne gehoorzaamheid en van hunne ongehoorzaamheid aan Gods woord (v. 7—22).

1. Et accesserunt omnes principes bellatorum, et Johanan filius Caree, et Jezonias filius Osaiae, et reliquum vulgus a parvo usque ad magnum:

2. Dixeruntque ad Jeremiam prophetam: Cadat oratio nostra in conspectu tuo: et ora pro nobis ad Dominum Deum tuum pro universis reliquiis istis, quia derelicti sumus pauci de pluribus, sicut oculi tui nos intuentur:

3. Et annuntiet nobis Dominus Deus tuus viam, per quam pergamus, et verbum, quod faciamus.

4. Dixit autem ad eos Jeremias propheta: Audivi: ecce ego oro ad Dominum Deum vestrum secundum verba vestra: omne verbum, quodcumque responderit mihi, indicabo vobis: nee celabo vos quidquam.

5. Et illi dixerunt ad Jeremiam: Sit Dominus inter nos testis veri-

1. En al de oversten der krijgslieden traden toe en Johanan, de zoon van Careë, en Jezonias, de zoon van Osaias1), en het overige volk, van klein tot groot;

2. en zij zeiden tot Jeremias, den profeet: Moge ons gebed voor uw aangezicht vallen'); en bid voor ons tot den Heer, uwen God, voor al deze overblijfselen; want wij zijn, weinigen uit velen, overgebleven, gelijk uwe oogen ons aanschouwen.

3. En toone de Heer, uw God, ons den weg, dien wij verder gaan, en het woord, dat wij doen moeten.

4. En Jeremias, de profeet, zeide tot hen: Ik heb het gehoord3); zie, Dx bid tot den Heer, uwen God, overeenkomstig uwe woorden; elk woord, dat Hij mij zal antwoorden, zal ik u bekend maken, en ik zal u niets verhelen4).

5. En zij zeiden tot Jeremias: De Heer zij onder ons getuige der waar-

'*) Zij vreesden met reden de wraak i der Chaldeën, te meer omdat de schuldigen gevlucht waren en ook dit hun | zou worden toegerekend. Immers was hunne oproerige gezindheid al meermalen gebleken.

') En al de oversten ....en (met verklarende beteekenis, te weten) Johanan enz. De vader van Jezonias, hier Osaias geheeten, werd XL 8 «de Maachathiet» genaamd. Doch in plaats

van Jezonias stelt de Septuag. (hoofdst. XLIX) «Azarias» naast Johanan, gelijk | in de Vuig. in XLIII 2.

») Zie op XXXVI 7. De inhoud van het gebed volgt in v. 3.

*) lk zal doen naar uw verlangen.

4) Uit het volgende vers mag men besluiten, dat Jeremias hierbij de vermaning voegde om van hunne zijde San Gods woord te gehoorzamen, al zou Hij ook het tegendeel gebieden van hetgeen zij verlangden.

Sluiten