Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vos enim misistis me ad Dominum Deum nostrum dicentes: Ora pro nobis ad Dominum Deum nostrum, et juxta omnia quascumque dixerit tibi Dominus Deus noster, sic annuntia nobis, et faciemus.

21. Et annuntiavi vobis hodie, et non audistis vocem Domini Dei vestri super universis, pro quibus misit me ad vos.

22. Nunc ergo scientes scietis quia gladio, et fame, et peste moriemini in loco, ad quem voluistis intrare ut habitaretis ibi.

leid; gij toch hebt mij tot den Heer, onzen God, gezonden, zeggende: Bid voor ons tot den Heer, onzen God, en overeenkomstig alles, wat de Heer, onze God, u ook zeggen zal, boodschap ons aldus, en wij zullen het doen1*).

21. En ik heb het u heden geboodschapt, en gij hebt niet gehoord15) naar de stem van den Heer, uwen God, aangaande al datgene, waarvoor Hij mij tot u gezonden heeft.

22. Nu derhalve zult gij allerzekerst weten, dat gij door het zwaard en door den honger en door de pest zult sterven in het oord, waarheen gij wilt gaan om aldaar te wonen16).

CAPUT XLIII. HOOFDSTUK XLIH.

Vertrek naar Egypte in strijd met Gods woord (v. 1—7). Godspraak aangaande Nabuchodonosor in Egypte (v. 8—13).

1. Factum est autem, cum complesset Jeremias loquens ad populum universos sermones Domini Dei eorum, pro quibus miserat eum Dominus Deus eorum ad illos, omnia verba hasc:

2. Dixit Azarias filius Osaias, et Johanan filius Caree, et omnes viri superbi, dicentes ad Jeremiam: Mendacium tu loqueris: non misit te Dominus Deus noster, dicens: Ne ingrediamini iEgyptum ut habitetis illic.

3. Sed Baruch filius Nerias incitat te adversum nos, ut tradat nos in manus Chaldasorum, ut interficiat

1. Het geschiedde nu, toen Jeremias geëindigd had tot het volk al de woorden te spreken van den Heer, hunnen God, waarvoor hem de Heer, hun God, tot hen gezonden had, al deze woorden1);

2. toen zeide Azarias, de zoon van Osaias*), en Johanan, de zoon van Careë, en al de trotsche8) mannen, tot Jeremias zeggende: Leugentaal spreekt gij; de Heer, onze God, heeft u niet gezonden om te zeggen: Trekt niet naar Egypte om aldaar te wonen!

3. Maar Baruch, de zoon van Nerias, stookt u op tegen ons, ten einde ons in de handen der Chal-

M) Gij hebt u zeiven misleid of in het ongeluk gebracht, doordien gij God om bescheid hebt laten vragen en u verplicht hebt om volgens zijn antwoord te handelen. Gij zondigt zwaar en hebt Gods wraak te wachten, omdat gij niet gehoorzaamt. Naar v. 21, 22 wist dè profeet, dat zij dit van plan waren.

'") In het verleden, want hun besluit

was reeds bepaald.

16) Hoe dat vonnis aan hen werd voltrokken, zal blijken uit XLIII 10; XLIV 12, 27 enz.

*) In het vorige hoofdstuk opgeteekend. ■) Zie XLII noot 1. °) En daarom eigenwijze.

Sluiten