Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT XLIV.

HOOFDSTUK XLIV.

Waarschuwing der aan afgoderij schuldige Judeërs in Egypte (v. 1—14); hun onbeschaamd antwoord (v. 15—19). Herhaalde waarschuwing met aankondiging van hunnen ondergang (v. 20—30).

1. Verbum, quod factum est per Jeremiam ad omnes Judaeos, qüi babitabant in terra ^Egypti, habitantes in Magdalo, et in Taphnis, et in Memphis, et in terra Phatures, dicens:

2. Haec dicit Dominus exercituum Deus Israël: Vos vidistis omne malum istud, quod adduxi super Jerusalem, et super omnes urbes Juda: et ecce desertae sunt hodie, et non est in eis habitator:

3. Propter malitiam, quam fecerunt ut me ad iracundiam provocarent, et irent ut sacrificarent, et colerent deos alienos, quos nesciebant et illi, et tos, et patres vestri.

4. Et misi ad vos omnes servos meos prophetas de nocte consurgens, mittensque et dicens: Nolite facere verbum abominationis hujuscemodi, quam odivi.

5. Et non audierunt, nee inclinaverunt aurem suam ut converterentur a malis suis, et non sacrificarent diis alienis.

6. Et conflata est indignatio mea

1. Het woord, dat door Jeremias geschiedde tot al de Judeërs, dié woonden in het land Egypte, wonende te Magdalum en te Taphnis en te Memphis en in het land Phatures1), zeggende:

2. Dit zegt de Heer der heerscharen, de God van Israël: Gijlieden hebt al dat onheil gezien, dat Ik over Jerusalem gebracht heb en over al de steden van Juda; en zie, zij zijn heden ten dage verwoest, en er is in haar geen bewoner,

3. wegens de boosheid, die zij gepleegd hebben om Mij tot gramschap te tarten en te gaan offeren*) en vreemde goden te dienen, die zij niet kenden, en zij, en gij, en uwe vaderen.

4. En Dx heb tot u al mijne dienstknechten, dé profeten, gezonden, in den nacht opstaande en zendende8) en zeggende: Doet niet het woord van zulk eenen gruwel4), dien Dx haat.

5. En zij hoorden niet en neigden hun oor niet om terug te keeren van hunne boosheden en om niet te offeren aan vreemde goden5).

6. En ontstoken werd mijne verbol-

heeft ondernomen, waarbij hij overwinningen en rijken buit op Egypte behaalde.

') Magdalum of Migdol beteekent «sterkte* of toren; zie XLVI 14 en vgl. Ez. XXIX 10; XXX 6. Het was eene grensstad in het noordoosten van Egypte, niet ver van Pelusium, en mag niet verward worden met het meer zuidelijk gelegen Magdalum van Exod. XIV 2. Zie II 16 voor Taphnis en Memphis; dit laatste staat niet in de Septuag. (hoofdst. LI). Het land Phatures is het Is. XI11 vermelde «Phetros»

of Boven-Egypte. Tot zooverre hadden zich de Judeesche vluchtelingen zuidwaarts verspreid, o. a. uit vrees voor de Chaldeën. Jeremias sprak dus deze profetie eenigen tijd na XLIII 8—13, nog onder Ephree (zie v. 30), derhalve voor 570. Het is de laatste godspraak, die wij van hem bezitten.

*) Sacrificare, offeren, beteekent in dit hoofdstuk, gelijk uit het Hebr. blijkt, hetzelfde als libare I 16, te weten: wierook of een vuuroffer opdragen.

Ö Zie op VII 13.

*) d. i. Zulk eene gruwelijke daad.

') Zie VII 24, 26.

Sluiten