Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

et furor meus, et succensa est in civitatibus Juda, et in plateis Jerusalem : et versas sunt in solitudinem et vastitatem secundum diem hanc.

7. Et nunc hasc dicit Dominus exercituum Deus Israël: Quare vos facitis malum grande hoe contra animas vestras, ut intereat ex vobis vir et muiier, parvulus et lactens de medio Judas, nee relinquatur vobis quidquam residuum:

8. Provocantes me in operibus manuum vestrarum, sacrificando diis alienis in terra JEgypti, in quam ingressi estis ut habitetis ibi: et dispereatis, et sitis in maledictionem, et in opprobrium cunctis gentibus terras?

9. Numquid obliti estis mala patrum vestrorum, et mala regum Juda, et mala uxorum ejus, et mala vestra, et mala uxorum vestrarum, quas fecerunt in terra Juda, et in regionibus Jerusalem?

10. Non sunt mundati usque ad diem hanc: et non timuerunt, et non ambulaverunt in lege Domini, et in prasceptis meis, quas dedi coram vobis et coram patribus vestris.

11. Ideo hasc dicit Dominus exercituum Deus Israël: Ecce ego ponam faciem meam in vobis in malum:

genheid en mijn toorn6), en zij ontbrandde in de steden van Juda en in de straten van Jerusalem; en zij zijn geworden tot woestenij en tot wildernis, gelijk het is ten huidigen dage7).

7. En nu zegt dit de Heer der heerscharen, de God van Israël: Waarom pleegt gij dit groot kwaad tegen uwe zielen8), opdat onder u man en vrouw, knaap en zuigeling omkome uit het midden van Juda en u geen enkel overblijfsel worde gelaten,

8. Mij verbitterende door de werken uwer handen, door te offeren aan vreemde goden in het land Egypte, hetwelk gij zijt binnengetreden om aldaar te wonen, opdat9) gij ten gronde gaat en tot vloek wordt en tot beschimping voor alle volken der aarde?

9. Hebt gij dan vergeten de boosheden uwer vaderen en de boosheden der koningen van Juda en de boosheden zijner vrouwen en uwe eigen boosheden en de boosheden uwer vrouwen, die zij gepleegd hebben in het land Juda en in de wijken van Jerusalem10)?

10. Zij werden niet gereinigd11) tot op dezen dag; en zij hebben niet gevreesd en niet gewandeld in de wet des Heeren en in mijne geboden, die Ik gegeven heb voor uw aangezioht en voor het aangezicht uwer vaderen.

11. Daarom zegt dit de Heer der heerscharen» de God van Israël: Zie, Ik zal mijn aangezicht tegen u

") Zie VII 20; XLII 18.

*) Gelijk gij heden vervuld ziet.

8) U zeiven ten verderve; zie XXVI 19. In het volgende opdat is het gevolg hunner handeling als het doel voorgesteld.

*) Dit opdat moet men verbinden met offeren; het heeft dezelfde kracht als in noot 8. Zie verder XXIV 9; XXVI 6.

,0) Zijner vrouwen schijnt terug te zien op Juda of op ieder der koningen van Juda, want werkelijk hadden de

echtgenooten der koningen sinds Salomon niet weinig schuld gehad aan de verspreiding der afgoderij. De vermelding dier Vrouwen geschiedt dan om v. 15. Doch in plaats daarvan heeft de Septuag. «uwer vorsten», gelijk in de optelling van v. 17. Zie verder VII 17.

") Hebr.: «Zij Zijn niet vermorzeld geworden» van berouw over hunne zonden en werden derhalve van hunne schuld niet gereinigd; vgl. V 3; XIII

27.

Sluiten