Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

populum nostrum, et ad terram nativitatis nostras, a facie gladii columbae.

17. Vocate nomen Pharaonis regis ÜSgypti, tumultum adduxit tempus.

18. Vivo ego (inquit rex, Dominus exercituum nomen ejus) quoniam sicut Thabor in montibus, et sicut Carmelus in mari, veniet.

19. Vasa transmigrationis fac tibi habitatrix filia jEgypti: quia Memphis in solitudinem erit, et deseretur, et inhabitabilis erit.

20. Vitula elegans atque formosa JEgyptus: stimulator ab aquilone Teniet ei.

21. Mercenarii quoque ejus, qui versabantur in medio ejus, quasi vituli saginati versi sunt, et fugerunt simul, nee stare potuerunt: quia dies interfectionis eorum venit super eos, tempus visitationis eorum.

wij terug naar ons volk en naar het land onzer geboorte voor het aangezicht van het zwaard der

duive*0)!

17. Noemt den naam Tan Pharao, den koning Tan Egypte: Verwarring brengt de tijd21)!

18. Zoo waar Ik leef (zegt de Koning — de Heer der heerscharen is zijn naam), voorwaar, gelijk de Thabor onder de bergen en gelijk de Karmel aan de zee zal hij komen22)!

19. Voorzie u van reistuig ter Terhuizing, gij bewoonster, dochter Tan Egypte! Want Memphis zal tot woestenij zijn, en het zal verlaten worden en onbewoond zijn**).

20. Eene vaars, welgevormd en schoon, is Egypte! Een drijver uit het noorden zal over haar komen2*).

21. Ook hare soldeniers, die in haar midden woonden als mestkalveren, hebben den rug gewend en zijn gevlucht te gader en konden geen stand houden; want de dag hunner slachting is over hen gekomen, de tijd hunner bezoeking20).

*>) Hebr.: «voor het gewelddadige zwaard»; zie XXV noot 40.

") De naam, die op Pharao past, omdat hij zijn lot uitdrukt, luidt naar de Vuig.: Verwarring, d. i. allerlei oorlogsrampen, brengt de door God bepaalde tijd over hem. Naar het Hebr.: «Ondergang» en verder «hij liet den bepaalden tijd (hem verleend om aan de rampen te ontkomen, ongebruikt) voorbijgaan». Zie Is. XXX 7 een dergelijken naam voor Egypte.

**) Zal hij komen, te weten de koning van Babel, met heerlijkheid en majesteit; want gelijk de Thabor boven de omliggende bergen uitsteekt en gelijk de Karmel zich verheft aan de zee, zoo overtreft hij al de koningen in macht. Dit bevestigt onder eede de opperste Koning, die de Heer is ook van Chaldea's heerscharen.

•*) Vgl. X 17. Zie verder noot 13. Want tot Memphis, in het hart des lands, zal de veroveraar alles verwoesten en de bevolking in ballingschap

wegzenden. Inhabitabilis heeft hier (blijkens het Hebr.) passieve beteekenis, gelijk meerdere dergelijke adjectieven in de Vulgaat; vgl. Sap. XII 4 «odibilis».

**) Eene nieuwe strophe met dezelfde gedachtenreeks als v. 7 volg. Eene vaars, het beeld van het in zijn vruchtbaar land onbezorgd levende Egyptische volk. Vgl. Is. XV 5. Een drijver, Hebr. volgens velen: «eene bremze» of paardenvlieg, die door hare steken de vaars onrustig voortjaagt, te weten de koning van Babel, die de Egyptenaren in ballingschap voeren zal.

**) De soldeniers, onderscheiden van de hulptroepen v. 9 en 16, waren al» mestkalveren, omdat zij zich vet mestten ten koste van het land, in welks midden zij rustig woonden; zij toch waren, naar het schijnt, niet gehouden tot buitenlandschen krijgsdienst. Het zijn de sinds Psammetich I in het vruchtbare Beneden-Egypte gevestigde Jonische en Carische krijgslieden. Vergeefs

Sluiten