Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ginquo, et semen tuum de terra captivitatis tuas: et revertetur Jacob, et requiescet, et prosperabitur: et non erit qui exterreat eum. Is. XLIII 1 et XLIV 2.

28. Et tu noli timere serve meus Jacob, ait Dominus: quia tecum ego sum, quia ego consumam cunctas gentes, ad quas eieci te: te vero non consumam, sed castigabo te in judicio, nee quasi innocenti parcam tibi.

uit bet verre land en uw zaad uit bet land uwer gevangenschap; en Jacob zal terugkeeren en rust genieten en voorspoed hebben; en niemand zal er zijn, die hem verschrikt.

28. En gij, vrees niet, mijn dienstknecht Jacob, zegt de Heer; want Ik, Dx ben met u, want Dx zal al de volken verdelgen, onder welke Dx u heb verstooten; u echter zal Dx niet verdelgen, maar Ik zal u tuchtigen naar billijkheid en u niet als eenen schuldelooze sparen!

CAPUT XLVTL HOOFDSTUK XLVII.

Godspraak over

1. Quod factum est verbum Domini ad Jeremiam prophetam contra Palaesthinös, antequam percuteret Pharao Gazam:

2. Haec dicit Dominus: Ecce aquae ascendunt ab aquilone, et erunt quasi torrens inundans, et operient terram, et plenitudinem ejus, urbem et habitatores ejus: clamabunt hommes, et ululabunt omnes habitatores terras

3. A strepitu pompae armorum, et bellatorum ejus, a commotione quadrigarum ejus, et multitudine rotarum illius. Non respexerunt patres filios manibus dissolutis

de Philistijnen.

1. Wat als woord des Heeren geschied is tot Jeremias, den profeet, tegen de Philistijnen1), voordat Pharao Gaza sloeg2).

2. Dit zegt de Heer: Zie, wateren komen op uit het noorden, en zij worden als een overstroomende vloed, en zij bedekken het land en zijne volheid, de stad en hare bewoners*); de menschen zullen schreien, en jammeren zullen alle bewoners des lands,

3. om het gekletter zijner trotsche wapenen en krijgers, om het ratelen zijner vierspannen en om de menigte zijner raderen4). De vaders zien niet om naar hunne kinderen, zoo slap zijn hunne handen5)!

!) Zie XIV 1; XLVI 1. De Septuag. (hoofdst. XXIX 1—7) heeft in v. 1 als opschrift niets dan: «Aangaande de Philistijnen*, eigenlijk «de allophyli», d. 1. de vreemdelingen; zie op Ps. LV 1.

*) De profetie werd derhalve uitgesproken vóór de verwoesting van Gaza door Pharao. Welke Pharao echter bedoeld is, valt niet te beslissen; volgens sommigen Nechao, die (Herod. II 159) na den slag bij Magdolos (wat hetzelfde zou zijn als Mageddo) Kadytis (waarschijnlijk Gaza) heeft ingenomen.

*) Hetzelfde beeld als XLVI 7,8 (vgl. Is. VIII 7) schildert hier de komst der Chaldeën; zie I 13, 14.

*) Hebr. en Septuag.: «om het dreunend stampen van de hoeven zijner paarden, om het gedruisch zijner wagens, het ratelen zijner wielen», m. a. w. om het Chaldeeuwsche leger, dat naar de vlakte van Philistea trekt met ruiterij en wagens. Vgl. Is. V 28; Ez. XXVI 10, 11.

°) Zoozeer heeft schrik en ontsteltenis hen verbijsterd; vgl. VI 24.

Sluiten