Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Pro adventu diei, in qno vastabuntur omnes Philisthiim, et dissipabitur Tyrns, et Sidon cum omnibus reliquis auxiliis suis: depopulatus est enim Dominus Palaesthinös, reliquias insulae Gappadociae. Amos IX 7.

5. Venit calvitium super Gazam: conticuit Ascalon, et reliquiae vallis earum, usquequo concideris?

6. O mucro Domini usquequo non quiesces? Ingredere in vaginam tuam, refrigerare, et sile.

7. Quomodo quiescet cum Dominus praeceperit ei adversus Ascalonem, et adversus maritimas ejus regiones, ibique condixerit illi?

4. Want gekomen is de dag, waarop al de Philistijnen zullen verdelgd worden en Tyrus zal worden uitgeroeid, alsook Sidon met al hunne overige helpers6); want uitgedelgd heeft de Heer de Philistijnen, de overblijfselen van het kustland Cappadocië7).

5. Kaalheid is gekomen over Gaza; verstomd is Ascalon en de overblijfselen van hun dal ; hoe lang nog zult gij u insnijdingen doen8) ?

6. O zwaard des Heeren! Hoe lang nog zult gij niet tot rust komen? Keer terug bi uwe scheede, koel af en wees stil9)!

7. Hoe zou het tot rust komen, daar de Heer aan hetzelve bevel heeft gegeven tegen Ascalon en tegen zijne kuststreken en Hij het aldaar besteld heeft?

CAPUT XLVIH. HOOFDSTUK XLVIII.

Godspraak over Moab. De profeet ziet den vijand stad na stad verwoesten en hoort de jammerkreten der vluchtende Moabieten (v. 1—25). Zoo straft de Heer Moab's hoovaardij (v. 26—46). De belofte der herstelling (v. 47).

1. Ad Moab haec dicit Dominus i 1. Aangaande Moab') zegt dit de exercituum Deus Israël: Vas super Heer der heerscharen, de God van

*) Naar het Hebr. is de zin: de dag is gekomen.... om voor Tyrus en Sidon uit te roeien den laatste, die nog helpen kan. Bedoeld zijn hiermede dezelfde Philistijnen, die hulptroepen leverden aan genoemde Phenicische steden.

') Ook hier is wederom de Heer de wreker van zijn volk. Cappadociê, Hebr. «Kaftor», zie Gen. X noot 15. Vgl. Deut. II 28; Am. IX 7. De Septuag. heeft hier alleen: «want verdelgen zal de Heer de overblijfselen der eilanden» (of kustlanden).

*) Kaalheid is een teeken van rouw over de rampen evenals het doen van insnijdingen; zie XVI noot 5. Verstomd, Hebr. «vernietigd». Hun dal is het vlakke en lage kustland; de Septuag. heeft daarvoor: «de overblijfselen der Enakim», d. i. der reuzen, waardoor de bewoners van Geth kunnen bedoeld

z|jn. Zie Jos. XI 22; I Reg. XVII 4; n Reg. XXI 16 volg.

°) Zoo laat de profeet die steden weeklagen en den vertoornden God om genade bidden. Hierop antwoordt hij in v. 7, waar hij volgens het Hebr, het zwaard toespreekt: «hoe zult gij tot rust komen?» God heeft het tegendeel bevolen. — Door het zwaard is hiér de Chaldeeuwsche legermacht bedoeld met al de vijanden, die God verder tegen Philistea zou opwekken, of m. a. w. Gods straffende gerechtigheid.

') Zie over de Moabieten Is. XV noot 1. Sinds Isaias' tijd was hunne gezindheid tegenover het volk Gods niet verbeterd. Volgens IV Reg. XXIV 2 bediende zich Nabuchodonosor van hen om Joakim's opatand te straffen. Wellicht bij die gelegenheid richtte Jeremias tegen hen deze godspraak, ter-

Sluiten