Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nuntiate in Arnon, quonian. vastata est Moab.

21. Et judicium venit ad terram campestrem: super Helon, et super Jasa, et super Mephaath,

22. Et super Dibon, et super Nabo, et super domum Deblathaim,

23. Et super Cariathaim, et super Bethgamul, et super Betbmaon,

24. Et super Carioth, et super Bosra: et super omnes civitates terras Moab, quas longe, et quas prope sunt.

25. Abscissum est cornu Moab, et brachium ejus contritum est, ait Dominus.

26. Inebriate eum, quoniam contra Dominum erectus est: et allidet manum Moab in vomitu suo, et erit in derisum etiam ipse:

27. Fuit enim in derisum tibi Israël: quasi inter fures reperisses eum: propter verba ergo tua, quas adversum illum locutus es, captivus duceris.

28. Relinquite civitates, et habitate in petra habitatores Moab: et estote

") De vroegere grensrivier tusschen Moab en het stamgebied van Ruben, waartoe Aroër v. 19 en de in v. 22—24 genoemde steden voorheen behoorden. Deze lagen ten noorden van den Arnon.

") In de vlakte van Moab lagen het elders niet vermelde Helon, Jasa, (zie Is. XV noot 5) en Mephaath, zie Jos. XIII 18.

**) Dibon, zie v. 18; Nabo, v. 1. Het huis, Hebr. *Beth* Deblathaim, vermoedelijk Helmondeblathaïm van Num. XXXIII 46.

") Cariathaim, zie v. 1; de ligging van Bethgamul is onbekend; Bethmaon of Baalmaon (Num. XXXII 38; Jos. XIII 17) lag niet ver ten zuidwesten van Hesebon.

*6) Carioth (zie Am. II2) is volgens sommigen de hoofdstad Ar-Moab; deze echter lag ten zuiden van den Arnon; zie Is. XV noot 2. Bosra, Deut. IV 43 en Jos. XX 8 «Bosor» genaamd,

en schreit; maakt het bekend aan den Arnon91), dat Moab verwoest is,

21. en dat het gericht gekomen is over het land der vlakte, over Helon en over Jasa en over Mephaath22)

22. en over Dibon en over Nabo en over het huis Deblathaïm23)

23. en over Cariathaim en over Bethgamul en over Bethmaon24)

24. en over Carioth en over Bosra25) en over al de steden van Moab's land, die veraf en die nabij zijn.

25. Afgehouwen is de hoorn van Moab, en zijn arm is verbrijzeld, zegt de Heer24).

26. Maakt hem dronken**), omdat bij zich tegen den Heer heeft verheven ; en Moab zal met zijne hand plassen in zijn braaksel, en hij zal ten spot zijn, ook bij**):

27. Want ten spot was n Israël, alsof gij hem onder de dieven betrapt hadt; om uwe woorden dus, welke gij tegen hem gesproken hebt, zult gij gevankelijk worden weggevoerd29).

28. Verlaat de steden en woont in de rots, bewoners van Moab, en

door Mesa blijkens zijn opschrift herbouwd, moet niet verward worden met de hoofdstad van Edom.

*6) Hoorn en arm zijn beide zinnebeelden van macht. Deze strophe eindigt op een zelfde wijze als in v. 8 en 15.

") Ook de vierde strophe begint met de aankondiging van het godsgericht. De uitvoerders van het gericht moeten Moab dronken maken van den wijn van Gods toorn; zie XIII 13: XXV 16, 27.

is) Een beeld der diepe vernedering van Moab's hoogmoed.

*9) Gij, Moab, zult in uwe vernedering bespot worden, omdat gij met het door Assyrië overwonnen Israël gespot hebt, alsof gij enz., zie II 26. In het tweede halfvers heeft het Hebr. «want zoo dikwerf gij van hem (Israël) spraakt, hebt gij u bewogen», d. i. het hoofd geschud, een gebaar van bespotting; vgl. XVIII 16.

Sluiten