Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fortium Moab in die illa, sicut cor mulieris parturientis.

42. Et cessabit Moab esse populus: quoniam contra Dominum gloriatus est.

43. Pavor, et fovea, et laqueus super te o habitator Moab, dicit Dominus.

44. Qui fugerit a facie pavor is, cadet in foveam: et qui conscendit de fovea, capietur laqueo: adducam enim super Moab annum visitationis eorum, ait Dominus. Is. XXIV18.

45. In umbra Hesebon steterunt de laqueo fugientes: quia ignis egressus est de Hesebon, et flamma de medio Seon, et devorabit partem Moab, et verticem filiorum tumultus.

46. Vse tibi Moab, periisti popuie Chamos: quia comprehensi sunt filii tui, et filias tuas in captivitatem

47. Et convertam captivitatem Moab in novissimis diebus, ait Dominus. Hncusque judicia Moab.

**) Hebr.: «En verdelgd wordt Moab, zoodat hij geen volk meer is». Zie verder v. 2, 26, 29.

") Van v. 43 af ontleend aan Is. XXrV 17, 18. Zie Jer. XXIII 12 voor hetgeen volgt. De verzen 45—47 ontbreken in de Septuag.

") De vluchtende Moabieten zoeken in de schaduw, d. i. onder de muren, van Hesebon, destijds eene Ammonietische stad (XLIX 3), eene schuilplaats tegen den vijand. Doch vergeefs, want van Hesebon zal niet het heil, maar het verderf over Moab uitgaan, zie v. 2. Dit wordt vervolgens uitgedrukt met aan Num. XXI 27 volg. ontleende woorden. Gelijk de Amorrheesche koning Seon voorheen het land der Moabieten van Hesebon uit had verwoest, zoo zal ook thans de vijand Hesebon binnentrekken en van daar uit hetzelfde land Moab te vuur en te zwaard verdelgen.

") Num. XXI 28 «uit de stad van

het hart van Moab's helden zal te dien dage zijn als het hart eener vrouw in barensnood.

42. En Moab zal ophouden een volk te zijn, omdat hij zich tegen den Heer trots verheven heeft45).

43. Schrik en kuil en strik over u, o bewoner vau Moab, zegt de Heer!

44. Wie ontvliedt voor het aangezicht der verschrikking, valt in den kuil; en wie opklimt uit den kuil, wordt gevangen in den strik46); want lk zal over Moab brengen het jaar hunner bezoeking, zegt de Heer.

45. lh de schaduw van Hesebon staan vluchtenden voor den strik47); want een vuur gaat uit van Hesebon en een vlam uit het midden van Seon48), en zij zal een deel van Moab verteren en den schedel van de zonen des alarms.

46. Wee u, Moab! gij zijt verloren, volk van Chamos! Want gevangen genomen zijn uwe zonen, en uwe dochters ter gevangenschap49).

47. En terugvoeren zal Ik de gevangenschap van Moab in de laatste dagen, zegt de Heer80). Tot dusverre de gerichten van Moab51).

Sehon», te weten Hesebon. De volgende woorden zijn eene vrije navolging der godspraak van Balaam Num. XXIV 17. De verslindende vlam (het verwoestende leger) zal een deel, Hebr.: «de slapen», van Moab (als een persoon gedacht) verteren, alsook den schedel van de zonen des alarms, d. i. van de strijdlustige Moabieten.

") Ontleend aan Num. XXI 29.

6°) Vgl. XLVI 26. De laatste dagen of Hebr.: «het einde der dagen», beteekent volgens de meesten het tijdperk van den Messias, zoodat de herstelling van Moab in zijn vaderland na den ondergang van het Chaldeeuwsche rijk (XXV 12), naar de wijze der profeten, in verband gebracht wordt met de bekeering der door Moab vertegenwoordigde heidenen; zie III 17.

") Flavius Josephus bericht (Antiq. X 9, 7), dat Nabuchodonosor in het vijfde jaar na de verwoesting van Jerusalem de Moabieten met de Ammo-

Sluiten