Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rationes ejus, quas cogitavit de habitatoribus Theman: Si non dejecerint eos parvuli gregis, nisi dissipaverint cum eis habitaculum eorum.

21. A voce ruina? eorum commota est terra: clamor in Mari rubro auditus eet vocis ejus.

22. Ecce quasi aquila ascendet, et avolabit: et expandet alas suas super Bosran: et erit cor fortium Idumaeae in die illa, quasi cor muHeris parturientis.

23. Ad Damascum: Confusa est Emath, et Arphad: quia auditum pessimum audierunt, turbati sunt in mari: pra? sollieitudine quiescere non potuit.

24. Dissoluta est Damascus, versa est in fugam, tremor apprehendit eam: angustia et dolores tenuerunt eam quasi parturientem.

aangaande Edom, en zijne plannen, die Hij beraamd heeft aangaande de bewoners van Theman: Voorwaar, de geringen der kudde zullen hem neder werpen! Voorwaar, zij zullen met hen hunne woonstede verwoesten21).

21. Door het gedreun van hunnen val beefde de aarde* aan de Roode Zee hoorde men den kreet van zijn geschrei22)!

22. Zie, als een arend zal hij opstijgen en heenvliegen, en hij zal zijne vleugelen uitspreiden over Bosra; en het hart van Idumea's helden zal te dien dage zijn als het hart eener vrouw in barensnood28).

23. Aangaande Damascus21). Beschaamd is Emath en Arphad25); want een zeer slechte mare hebben zij vernomen, ontsteld zijn zij aan de zee, van bange vrees kan men niet tot rust komen26).

24. Krachteloos is Damascus, het heeft zich tot vluchten gekeerd, schrik heeft het aangegrepen, angst en weeën hebben het bevangen als eene barende27).

") De geringen of de minst machtigen der kudde Gods (waardoor wellicht het door Hem bestelde heerleger bedoeld is) zijn machtig genoeg om de Edomicten neer te werpen. Anderen vertalen het Hebr.: «voorwaar men zal hen, de geringsten der kudde (het weerlooze volk van Edom), wegsleuren» in ballingschap. Het tegendeel dus van XXV 34 en XXIX 10. En verder: «voorwaar, ontzetten zal zich over hen hun eigen land».

**) Naar de Septuag. wordt wegens het gedreun van hunnen val «het gebruis der zee niet gehoord».

,s) Zie XLVIII 40, 41; Bosra, zie noot 14. Het vonnis over Edom is waarschijnlijk voltrokken door het Chaldeeuwsche leger, dat, na het land van Moab en Ammon te hebben geteisterd (zie XLVIII noot 51), ook Edom geplunderd en verwoest zal hebben. Na de ballingschap voorspelde Malachias (I 4) nog een nieuwe verwoesting van Edom, welke eerst door de Machabeën (I Mach. V 3, 65), vervolgens door Joannes Hircanus, einde¬

lijk onder de Romeinen (Flav. Jos. Bell. Jud. IV 9, 7) in vervulling ging.

**) Damascus, eigenlijk de hoofdstad van het Damasceensche Syrië, vertegenwoordigt hier het geheele land. Reeds vroeger had het meermalen Israël en Juda onderdrukt (zie Am. I noot 6 en 7), en ook nu ten tijde van Jeremias; zie IV Reg. XXIV 2. Dit was wellicht de aanleiding tot deze godspraak.

") Zie Is. X noot 8.

*G) De zin is: de slechte mare der nadering van het Chaldeeuwsche leger doet allen ontstellen, ook hen, die aan de Middellandsche zee wonen. Doch daar Syrië zich niet zoover uitstrekte, verdient de lezing van vele Hebr. handschriften «als de zee» de voorkeur. Dit voegt men dan beter bij het volgende: als de zee bij noodweer, kan men van bange vrees niet tot rust komen. De Septuag. (XXX 12—16) ontwijkt deze moeielijkheid door te vertalen: «zij zijn ontsteld, staan verslagen, kunnen met tot rust komen».

J') De bevolking maakt zich tot vluchten gereed, doch van schrik is

Sluiten