Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

quomodo versa est in desertum Babyion in gentibus?

24. ülaqueavi te, et capta es Babyion, et nesciebas: inventa es et apprehensa: quoniam Dominum provocasti.

25. Aperuit Dominus thesaurum suum, et protulit vasa iras suas: quoniam opus est Domino Deo exercituum in terra Chaldasorum.

26. Venite ad eam ab extremis finibus, aperite ut exeant qui conculcent eam: tollite de via lapides, et redigite in acervos, et interficite eam: nee sit quidquam reliquum.

27. Dissipate universos f ortes ejus, descendant in occisionem: vas eis, quia venit dies eorum, tempus visitationis eorum.

28. Vox fugientium, et eorum, qui evaserunt de terra Babylonis, ut annuntient in Sion ultionem Domini Dei nostri, ultionem templi ejus.

29. Annuntiate in Babylonem plnrimis omnibus, qui tendunt arcum: consistite adversus eam per gyrum, et nullus evadat: reddite ei secundum opus suum: juxta omnia quas

**) Een zegelied op Babel's ondergang; vgl. Is. XIV 4—6. De hamer, die de gansche aarde verbrijzelde (zie XXV 9; Hab. I ö volg.), wordt nu zelf verbrijzeld.

") Herodotus (I 191) verhaalt, dat de buitenwijken der stad reeds in de handen der vijanden waren, zonder dat de bewoners der binnenstad het nog vermoedden. Vgl. Is. XLVII 7, 11.

**) Zie Is. XIII 5. Want een werk, zie Jer. XLVIII 10.

") Van de meest afgelegen landen. Allen worden ter wraak opgeroepen.

M) M. a. w. ruimt alle hinderpalen uit den weg, welke den tocht dier wrekers naar Babel kunnen verhinderen. Hebr.: «opent hare schuren, schudt het bijeen als garven en wijdt het ten ban»; d. w. z. de schatkamers der stad

Hoe is tot woestijn geworden Babyion onder de volken**)?

24. Ik heb u verstrikt, en gij zijt gevangen, Babyion, en gij wist het niet; gij zijt verrast en gegrepen**), omdat gij den Heer hebt getart.

25. De Heer heeft zijn tuighuis geopend, en de werktuigen zijner gramschap heeft Hij te voorschijn gebracht; want een werk heeft de Heer, de God der heerscharen, in het land der Chaldeën*4).

26. Komt op tegen haar van de uiterste grenzen26); doet open, opdat uitgaan die baar vertreden; ruimt de steenen uit den weg en legt ze op hoopen en brengt haar om; en niets blijve er over26)!

27. Roeit uit al hare helden27), dat zij afdalen ter slachting! Wee hun, want gekomen is hun dag, de tijd hunner bezoeking.

28. Eene stem van vluchtelingen en van degenen, die ontkomen zijn uit het land van Babyion, om in Sion te boodschappen de wraak van den Heer, onzen God, de wraak over zijnen tempel28)!

29. Ontbiedt tegen Babyion zeer velen29), allen, die den boog spannen. Neemt stelling tegen haar in het rond, en niemand ontkome! Vergeldt haar naar haar werk; naar al wat zij gedaan heeft, doet haar

zullen met geweld geopend, alles zal op een hoop geschud en vernield worden als ter verdelging gewijd goed. Na de vernieling der schatten zijn de bewoners aan de beurt, v. 27.

") Eene verklaring van het Hebr. «hare varren», d. i. Babel's grooten (vgl. Is. XXXIV 7), of wellicht hier beter: de weerbare manschappen; vgl. XLVIII 15.

") De vluchtelingen zijn de Israëlieten (zie v. 4), die naar hun land de blijde boodschap brengen, dat God het vernielen van zijnen tempel aan de Chaldeën heeft gewroken.

n) Hebr.: «Ontbiedt tegen Babel boogschutters», die de stad insluiten en de vlucht der bewoners beletten, de vluchtenden echter met hunne pijlen doorboren moeten.

Sluiten