Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

quasi hostis: et occidit omne, qnod pulchrum erat visu in tabernaculo filiae Sion, effudit quasi ignem indignationem suam.

He.

5. Factus est Dominus velut inimicus: praecipitavit Israël, praecipitavit omnia moenia ejus: dissipavit munitiones ejus, et replevit in filia Juda humiliatum et humiliatam.

Vau.

6. Et dissipavit quasi hortum tentorium suum, demolitus est tabernaculum suum: oblivioni tradidit Dominus in Sion festivitatem, et sabbatum: et in opprobrium, et in indignationem furoris sui regem, et sacerdotem.

Zaik.

7. Repulit Dominus alt are suum, maledixit sanctificationi suas: tradidit in manu inimici muros turrium ejus: vocem dederunt in domo Domini, sicut in die solemni.

Heth.

8. Gogitavit Dominus dissipare murum filia) Sion: tetendit funiculum suum, et non avertit manum

*) Hij, die weleer voor Israël streed (zie Exod. XIV 25), trad uu op als kampvechter tegen zijn volk. Vgl. Ps. VII 13, 14. Alles wat schoon voor het gezicht was, te weten de jongelingen en jonge dochters (zie I 18); in de tent der dochter Sion, d. i. in de stad, de plaats der inwoning van Sions bevolking, past beter bij het volgende: goot Hij als een vuur enz. Zie Jer. VI 11; X 25; XLII 18 en de vervulling Jer. Lil 18—14.

•) Hebr.: «en Hij vermenigvuldigde in de dochter Juda het gezucht en het gekerm».

*) Zijne tent en zijn tabernakel beteekenen den tempel, waarin God onder sijn volk woonde en het volk zich rondom Hem verzamelde (vgl. voor tabernakel, Hebr. mo eed, Exod. XXVII noot 18). Gewelddadig werd de tempel ver¬

als een tegenstander; en Hij doodde alles wat schoon voor het gezicht was in de tent der dochter Sion; Hij goot als een vuur zijne verbolgenheid uit4).

He.

5. De Heer werd als een vijand, Hij wierp Israël neder; Hij wierp al zijne muren neder, Hij vernielde zijne vesten; en Hij vulde de dochter Juda met vernederde mannen en vrouwen5).

Vau.

6. En Hij verwoestte zijne tent als eenen hof, Hij vernielde zijnen tabernakel; aan de vergetelheid gaf de Heer in Sion prijs feestdag en sabbat, en aan den smaad en aan den toorn zijner verbolgenheid koning en priester6).

Zain.

7. De Heer verstiet zijn altaar, vervloekte zijn heiligdom; Hij leverde in de hand des vijands de muren van deszelfs torens; men hief een geschrei aan in het huis des Heeren als op eenen feestdag7).

Heth.

8. De Heer besloot den muur der dochter Sion te vernielen; Hij spande zijn meetsnoer en wendde

woest als een hof, die moedwillig vertreden wordt. Daarna kon er in Sion geen sprake meer zijn van het vieren van feestdag en sabbat. De dragers van het burgerlijk en godsdienstig gezag, koning en priester, waren aan den smaad der vijanden en aan den toorn Gods prijsgegeven en verworpen. Zoo was het rijk van Juda ondergegaan.

') Zijn heiligdom is de eigenlijke tempel; de muren van deszelfs torens kunnen de bolwerken tot verdediging des tempels beteekenen; Hebr.: «de muren van deszelfs paleizen», wat de verschillende gebouwen rondom het heiligdom schijnt aan te duiden; vgl. III Reg. VI 5 volg.; Jer. XXXV 4. Een geschrei, te weten de zegekreten der overwinnende Chaldeën, die het feestgezang in den tempel vervingen; vgl. II Par. V 13; VII 3.

Sluiten