Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daleth.

12. Tetendit ar cum suum, et posuit me quasi signum ad sagittam.

He.

13. Misit in renibus meis filias pharetrae suse.

He.

14. Factus sum in derisum omni populo meo, canticum eorum tota die.

He.

15. Replevit me amaritudinibus, inebriavit me absynthio.

Vau.

16. Et fregit ad numerum dentes meos, cibavit me cinere.

Vau.

17. Et repulsa est a pace anima mea, oblitus sum bonorum.

Vau.

18. Et dixi: Periit finis meus, et spes mea a Domino.

Zain.

19. Recordare paupertatis, et transgressionis meas, absynthii, et fellis.

Zain.

20. Memoria memor ero, et tabescet in me anima mea.

•) Zie II 4; Job XVI 13.

10) In mijne nieren, den zetel der innigste aandoeningen, drongen Gods pijlen, die in het Hebr.: «de zonen van zijnen pijlkoker, heeten.

") Zie Jer. XX 7. De profeet stelt zich hier tegenover zijn volk en spreekt zoo bij uitzondering over zich zeiven. Niet weinige Hebr. handschriften en de Syr. vertaling hebben: «voor alle volken», en dan spreekt ook hier het door heidensche naburen bespotte Israël.

>*) Om zijne bitterheid een beeld van jammer, zie v. 5. Vgl. Jer. IX 15.

1S) d. i. God deed mij de pijnlijkste smarten aan. In plaats van stuk voor stuk heeft het Hebr. «op kiezel», m. a. w. Hij gaf mij steenen in plaats van brood te eten; vgl. Prov. XX 17. Zie verderop Ps. Cl 10.

") Septuag.: «en Hij heeft van den

Daleth.

12. Hij spande zijnen boog en stelde mij als het doelwit voor den pijl*).

He.

13. Hij zond in mijne nieren de dochters van zijnen pijlkoker10).

He.

14. Dx ben ten spot geworden voor geheel mijn volk, hun schimplied den ganschen dag11).

He.

15. Hij verzadigde mij met bitterheden, Hij maakte mij dronken met alsem1-);

Vau.

16. En Hij brak stuk voor stuk mijne tanden13), Hij spijsde mij met asch.

Vau.

17. En van den vrede verstooten is mijne ziel14), ik heb het goede vergeten.

Vau.

18. En ik Zeide: Verloren ging mijn einde en mijne hoop van den Heer15).

Zaïic.

19. Gedenk mijne ellende en mijne overtreding, den alsem en de gal16).

Zaïn.

20. Peinzend peins ik daarop, en mijne ziel kwijnt weg in mij17).

vrede (d. i. van al wat goed is) mijne ziel verstooten».

") Mijn einde beteekent het einde mijner jammeren; het Hebr. kan ook beteekenen: mijne levenskracht. Mijne hoop, die op den Heer gevestigd was, heb ik opgegeven, zoodat zij zich van Hem heeft losgescheurd. Aldus had de lijder gewankeld in zijn vertrouwen. Doch in v. 19 volg. beurt hij zijne hoop weder op door het gebed.

") Mijne ellende, de straf voor mijne overtreding; Hebr. waarschijnlijk : «mijne ellende en mijne rondzwerving» in de ballingschap, welke overdrachtelijk alsem en gal genaamd worden, evenals v. 5 en v.' 15.

1T) Het voortdurend overdenken van zijn lijden, de straf der zonde, drukt zijne ziel neder.

Sluiten