Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sm.

21. Gaude, et laetare filia Edom, quae habitas in terra Hns: ad te quoque perveniet calix, inebriaberis, atque nudaberis.

Thao.

22. Completa est iniquitas tua filia Sion, non addet ultra ut transmigret te: visitavit iniquitatem tuam filia Edom, discooperuit peccata tua.

Sm.

21. Verheug u en wees blijde, dochter Edom, die woont in het land Hus! Ook tot u zal de beker komen, dronken zult gij worden en u ontblooten21).

Thau.

22. Voleindigd is uwe schuld, dochter Sion, nimmermeer zal Hij u verbannen; bezoeking heeft Hij gebracht over uwe schuld, dochter Edom, blootgelegd heeft Hij uwe zonden22).

Oratio Jeremias prophetae. Gebed van Jeremias, den Profeet1).

CAPUT XL.

HOOFDSTUK X.

De vernederingen en het lijden der in het land achtergeblevenen en der gevluchten (v. 1—18). Gebed tot den eeuwigen Koning om herstelling van zijn Rijk (v. 19—22).

1. Recordare Domine quid acciderit nobis: intuere, et respice opprobrium nostrum.

2. Hereditas nostra versa est ad

1. Gedenk, Heer, wat ons is overkomen, zie en aanschouw onzen smaad!

2. Ons erfgoed is overgegaan aan

hunne zelfstandigheid te bewaren. Met de Chald. vertaling verklaarde de H. Hiëronymus dit in letterlijken zin van den door Nechao gedooden Josias; in geestelijken zin echter van den Messias, die om onze zonden gedood ie; daarom vertaalde hij Christus Dominus en verder in peccatis nostris.

M) Verheug u over Sion's rampen, een ironische uitroep. Edom had dit werkelijk gedaan; zie Jer. XLIX 7—22; Ez. XXV 12—14; XXXV en XXXVI 5; Pa. CXXXVI 7; vgl. Abd. v. 11 en 12. Weldra echter zou die vreugde in bitterheid verkeeren, want de beker enz., zie Jer. XXV 15, 16; dronken worden en u ontblooten (vgl. Gen. IX 21, 22), d. i. tot een voorwerp van spot worden, berooid en van alles verstoken. Vgl. I 8; Nah. III 5 ; Hab. II 15,16. Edom schijnt destijds zijn gebied te hebben uitgebreid tot het land Hus; zie Jer. XXV noot 21.

**) Voleindigd, d. i. uitgeboet en

verzoend, is uwe schuld (zie Is. XL 2; Jer. L 20), een profetisch verleden, dat aan het einde der ballingschap door de herstelling van Gods volk, vooral door de volledige zondenvergeving om de verdiensten van den Messias, werkelijkheid zou worden. Edom daarentegen, de vertegenwoordiger van alle God weerstrevende macht (zie Is. LXIH noot 1), zal Gods wraak ondervinden en in die straf zullen zijne zonden ten aanschouwen van allen worden blootgelegd; ook dit is in het profetisch verleden uitgedrukt.

') Dit opschrift staat niet in het Hebr. noch in de Septuag. Het vijfde lied is een gebed, in zooverre de opsomming der jammeren Gods ontferming afroept. Hoewel het niet gelijk de vorige alphabetisch is, komt het toch hiermede overeen in het getal der^ verzen, die tweeledig en zeer eenvoudig zijn.

Sluiten