Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Et ad aures potentium filiorum regum, et ad aures presbyterorum, et ad aures populi, a minimo usque ad maximum eorum omnium habitantium in Babylonia, ad flumen Sodi.

5. Qui audientes plorabant, et jejunabant, et orabant in conspectu Domini.

6. Et collegerunt pecuniam secundum quod potuit uniuscujusque manus,

7. Et miserunt in Jerusalem ad Joakim filium Helciae filii Salom sacerdotem, et ad sacerdotes, et ad omnem populum, qui inventi sunt cum eo in Jerusalem:

8. Cum acciperet vasa templi Domini, quas ablata fuerant de templo, revocare in terram Juda decima die mensis Sivan, vasa argentea, quas fecit Sedecias filius Josias rex Juda,

9. Posteaquam cepisset Nabuchodonosor rex Babylonis Jechoniam, et principes, et cunctos potentes,

*) De machtigen zijn de krijgsoversten, die eveneens I Par. XXVIII 1 en XXIX 24 naast de zonen der koningen, d. L de vorsten van het koninklijk huis, genoemd worden.

8) Van het volk, dat naar v. 3 hiertoe was samengekomen, van den kleinste enz., eene Hebr. zegswijze, zie Jer. VI 13; XXXI 34 enz.

0 Septuag.! «die in Babyion (de hoofdstad) woonden aan de rivier Soed», vermoedelijk eene zijrivier of een kanaal, dat in of nabij Babel in den Euphraat viel.

•) Joakim, als de priester van de overige priester» onderscheiden, was waarschijnlijk van hoogepriesterlijke afkomst (vgl. I Par. VI 13 en I Esdr. VII 1, 2) en bekleedde wellicht onder hen een aanzienlijk ambt; zie Jer. LH 24. De hoogepriester Josedec (zie I Par. VI 15) was in de ballingschap.

*) In het verwoeste Jerusalem hadden zich eenige van de aanzienlijke

4. en ten aanhooren van de machtigen, van de zonen der koningen6), en ten aanhooren van de oudsten en ten aanhooren van het volk, van den kleinste tot den grootste6) van allen, die in Babylonië woonden aan de rivier Sodi7).

5. En bij het aanhooren weenden zij, en Zij vastten en baden voor het aangezicht des Heeren.

6. En zij verzamelden geld, volgens hetgeen ieders hand vermocht,

7. en zonden het naar Jerusalem aan den priester Joakim, den zoon van Helcias, den zoon van Salom, en aan de priesters8) en aan al het volk, zoovelen zich Dij hem bevonden te Jerusalem9),

8. toen hij10) de vaten van den tempel des Heeren ontving, die uit den tempel waren weggenomen, om ze naar het land Juda terug te brengen, den tienden dag der maand SivanJ1) — de zilveren vaten, dié Sedecias, de zoon van Josias, de koning van Juda, gemaakt had,

9. nadat Nabuchodonosor, de koning van Babyion, Jechonias en de vorsten en al de machtigen en het

achtergeblevenen neergezet bij de arme inwoners, die er waren achtergelaten; zie Jer. LH 13 met noot 9. Op de plaats van het vroegere heiligdom werden reeds spoedig onbloedige offers (zie Jer. XLI 5), weldra zelfs «brandoffers» (v. 10), opgedragen.

") De h. schrijver gaat zeggen, bij welke gelegenheid zij het geld van v. 6 «naar Jerusalem zonden» (v. 7): toen hij, te weten Baruch zelf, de vaten enz.

") De maand Sivan is de derde maand, ongeveer Mei-Juni (vgl. Esth. VIII 9). Zeker is het, dat Baruch niet aanstonds na het ontvangen der tempelvaten vertrok; daar bij nog in de vijfde maand te Babyion was; zie noot 2. Volgens den anderen Lat. tekst, waarin de dag niet genoemd wordt, bracht niet Baruch zelf het geld en de heilige vaten weg, maar zonden de ballingen gezanten «om (met het geld) de vaten van het huis des Heeren mede te nemen».

Sluiten