Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13. Et pro nobis ipsis orate ad Dominum Deum nostrum: quia peccavimus Domino Deo nostro, et non est aversus furor ejus a nobis usque in hunc diem.

14. Et legite librum istum, quem misimus ad vos recitari in templo Domini, in die solemni, et in die opportuno: iu>'Vj t

15. Et dicetis: Domino Deo nostro justitia, nobis autem confusio faciei nostras: sicut est dies hasc omni Juda, et habitantibus in Jerusalem. Infra II 6.

16. Regibus nostris, et principibus nostris, et sacerdotibus nostris, et prophetis nostris, et patribus nostris.

17. Peccavimus ante Dominum Deum nostrum, et non credidimus, diffidentes in eum: Dan. IX 5.

18. Et non fuimus subjectibiles illi, et non audivimus vocem Domini Dei nostri ut ambularemus in mandatis ejus, quas dedit nobis.

19. A die, qua eduxit patres nostros de terra iEgypti usque ad

13. Bidt ook voor ons tot den Heer, onzen God; want wij hebben gezondigd tegen den Heer, onzen God, en zijne gramschap is niet afgewend van ons tot op den huidigen dag.

14. En leest dit boek, dat wij u zenden om in den tempel des Heeren te worden voorgelezen op den feestdag en op een geschikten dag1').

15. En gij zult zeggen20): Den Heer, onzen God, is de gerechtigheid; ons echter beschaming van ons aangezicht21), gelijk het is ten huidigen dage met geheel Juda en met de bewoners van Jerusalem,

16. met onze koningen en onze vorsten en onze priesters en onze profeten en onze vaderen.

17. Wij hebben gezondigd voor den Heer, onzen God1*), en wij hebben niet gehoorzaamd en zijn trouweloos geweest jegens Hem,

18. en wij zijn Hem niet onderdanig geweest en hebben niet gehoord'naar de stem van den Heer, onzen God, om te wandelen in zijne geboden, die Hij ons gegeven heeft.

19. Van den dag af, waarop Hij onze vaderen heeft uitgevoerd uit

meesters, en vele dagen, zoolang die vreemde heerschappij volgens Gods beschikking zal duren.

**) Een bepaalde feestdag schijnt bedoeld, misschien het Loofhuttenfeest, dat van den vijftienden dag der zevende maand gedurende acht dagen gevierd werd (Lev. XXIII 34—43; Deut. XVI 13—15) met eene plechtige f eestverzameling op den eersten en den achtsten dag; hierop ziet waarschijnlijk het volgende in de Septuag.: «en op de dagen kairoe», wat de vertaling schijnt van de Hebreeuwsche uitdrukking: «op de dagen der bijeenkomst.; zie Lev. XXIII 2, 4.

,0) Hier volgt nu de Profetie van Baruch, die de ballingen bij hunnen brief voegden, om gelijk bij hen (v. 3) ook te Jerusalem te worden voorgelezen. De profetie begint met eene schuldbelijdenis (I 15—11 10). De aanhef daarvan v. 15—20a wordt in Dan. IX

VI

7—11 herhaald, want zij had bij de ballingen een diepen indruk achtergelaten. — In de oude Latijnsche vertaling wordt de Profetie van Baruch duidelijker ingeleid met de woorden: «En toen zij dit (boek) ontvangen hadden, lazen zij het voor; en daarin Was geschreven als volgt».

") De zin is: God handelt rechtvaardig, op ons echter komt de verdiende smaad en schande, welke thans ons deel is. De volgende uitdrukkingen gelijk het is ten huidigen dage en (Septuag.) «de manschap van Juda», alsook de opsomming in v. 16 zijn aan Jeremias, den meester van Baruch, eigen. Vgl. Jer. IV 4, 9; VIH i; XI 2, 5, 9 enz. Evenals Jer. XV 4 en Thren. V 7 vermeldt Baruch de schuld der vaderen.

") Wat hier in v. 17 nog volgt, staat niet in den Griekschen tekst, die ook in v. 18 en 19 beknopter is.

35

Sluiten