Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17. Aperi oculos tuos, et vide: quia non mortui, qui sunt in inferno, quorum spiritus acceptus est a visceribus suis, dabunt honorem et justificationem Domino: Is. XXXVII 18; Ps. CXIII 17.

18. Sed anima, quas tristis est super magnitudine mali, et incedit curva, et infirma, et oculi deficientes, et anima esuriens dat tibi gloriam et justitiam Domino.

19. Quia non secundum justitias patrum nostrorum nos fundimus preces, et petimus misericordiam ante conspectum tuum Domine Deus noster:

20. Sed quia misisti iram tuam, et furorem tuum super nos, sicut locutus es in manu puerorum tuorum prophetarum, dicens:

21. Sic dicit Dominus: Inclinate humerum vestrum, et cervicem vestram, et opera facite regi Babylonis : et sedèbitis in terra, quam dedi patribus vestris. Jer. XXXVIII17.

22. Quod si non audieritis vocem i Domini Dei vestri operari regi Ba- i byloniae: defectionem veslram fa- j

bleef toch Sion Gods woning, de plaats, die Hij had uitverkoren als den troon zijner genade; zie Ps. LXXIII 2; LXXV 3; vgl. III Reg. VIII 29 ; IX 3. Daarom bad ook Daniël (VI 10) met het gelaat naar Sion gekeerd. Anderen echter verstaan dit van Gods woning in den hemel evenals Deut. XXVI 15.

16) Dezelfde gedachte als Ps. VI 6, zie noot 6 aldaar; vgl. Is. XXXVIII 18, 19. Gerechtigheid geven aan den Heer beteekent in dit zinverband: Hem als den gerechten en heiligen God op aarde loven en prediken (zie v. 15), wat de dooden niet meer kunnen.

*') Over den ondergang van volk en rijk; vgl. Is. LXI 3; Soph. III 18 Hebr. De profeet beschrijft den waren boetvaardige, die, onder de straffen gedrukt, zich vernedert en vurig hoopt en verlangt naar de herstelling.

,s) Naar de Septuag.: «niet op (daarop steunende) de gerechte werken van

17. Open uwe oogen en zie! Want niet de dooden, die in de onderwereld zijn, wier geest is weggenomen uit hun binnenste, geven lof en gerechtigheid aan den Heer16).

18. Maar de ziel, die bedroefd is over de grootheid des onheils17) en gebogen en krachteloos gaat, en de versmachtende oogen en de hongerige ziel, zij geeft U, den Heer, lof en gerechtigheid!

19. Want niet naar de gerechte werken onzer vaderen storten wij gebeden en smeeken wij om ontferming voor uw aangezicht18), o Heer, onze God;

20. maar omdat Gij uwe gramschap en uwen toorn gezonden hebt over ons, gelijk Gij gesproken hebt door de bediening van uwe dienstknechten, de profeten19), zeggende:

21. Aldus zegt de Heer : Buigt uwen schouder en uwen nek, en dient den koning van Baby Ion; en gij zult in het land blijven, dat Ik heb gegeven aan uwe vaderen20).

22. Bijaldien gij echter niet hoort naar de stem van den Heer, uwen God, om den koning van Babyion

onze vaderen en van onze koningen storten wij het smeekgebed voor uw aangezicht» (zie Dan. IX 18). Het Gr. «eleos», dat eigenlijk ontferming beteekent, is meermalen de vertaling van het Hebr. «techinna», d. i. smeekgebed (b.v. Jer. XXXVI 7; XXXVII 19; XXXVIII 26; XLII 2).

™) De zin der Vulgaat is: wij vragen U om erbarming, omdat wij onder de slagen van uwen toorn niet weten, waar anders hulp in den nood te vinden. Doch sed, maar, staat niet in de Grieksche, de Syr. en de oude Lat. vertalingen, zoodat de zin is: wij storten onze gebeden, omdat wij rechtvaardig gestraft worden, overeenkomstig de bedreigingen der profeten.

,0) Bijna woordelijk ontleend aan Jer. XXVII 11, 12. Opera facere en in v. 22, 24 operari is de slaafsche vertaling van het Gr. ergadzesthai, zie I noot 28.

Sluiten