Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ciam de civitatibus Juda, et a foris Jerusalem,

23. Et auferam a vobis vocem jucunditatis et vocem gaudii, et vocem sponsi, et vocem sponsae, et erit omnis terra siue vestigio ab inhabitantibus eam.

24. Et non audierunt vocem tuam, ut operarentur regi Babylonis: et statuisti verba tua, quas locutus es in manibus puerorum tuorum prophetarum, ut transferrentur ossa regum nostrorum, et ossa patrum nostrorum de loco suo:

25. Et ecce projecta sunt in calore solis, et in gelu nootis: et mortui sunt in doloribus pessimis, in fame et in gladio, et in emissione.

26. Et posuisti templum, in quo invocatum est nomen tuum in ipso, sicut hasc dies, propter iniquitatem domus Israël, et domus Juda.

27. Et fecisti in nobis Domine Deus noster secundum omnem bonitatem tuam, et secundum omnem miserationem tuam illam magnam:

28. Sicut locutus es in manu pueri tui Moysi in die, qua prascepisti ei scribere legem tuam coram filiis Israël,

29. Dicens: Si non audieritis vocem meam, multitudo hasc magna convertetur in minimam inter gentes, quo ego eos dispergam: Lev. XXVI 14; Deut. XXVIII15.

30. Quia scio quod me non audiet populus: populus est enim dura

") Zie Jer. VII 34 en XXV 10.

**) Sine vestigio, in het Gr.: «eis abaton»; zie noot 4.

n) Zie de voorspelling Jer. VIII1,2.

*») Zie Jer. XXXVI 30.

*•) Emissio is de slaaf sche vertaling van heit Gr. *apostolê>, waarmede de Septuag. XXXIX (Vuig. XXXII) 36 het Hebr. *deber*, d. i. pest, vertaalt» Zie

te dienen, zal De u doen verdwijnen uit de steden van Juda en van de pleinen van Jerusalem31),

23. en Dx zal van u wegnemen de stem der vreugde en de stem der blijdschap en de stem des bruidegoms en de stem der bruid, en geheel het land zal zonder spoor van bewoners worden32).

24. En zij hoorden niet naar uwe stem om den koning van Babyion te dienen; en Gij hebt uwe woorden gestand gedaan, welke Gij gesproken hebt door de bediening uwer dienstknechten, de profeten, dat de gebeenten onzer koningen en de gebeenten onzer vaderen zouden weggevoerd worden van hunne plaats23).

25. En zie, zij zijn weggeworpen in de hitte der zon en in de koude des nachts24); en zij zijn gestorven door de ergste plagen, door den honger en door het zwaard en door de pest26).

26. En Gij hebt den tempel, waarover uw naam is uitgeroepen, gemaakt, gelijk hij is ten huidigen dage, om de ongerechtigheid van het huis van Israël en van het huis van Juda26).

27. En Gij hebt met ons gedaan, o Heer, onze God, naar al uwe goedheid en naar al deze uwe groote barmhartigheid27),

28. gelijk Gij gesproken hebt door de bediening van uwen dienstknecht Moses, ten dage waarop Gij hem bevolen hebt uwe wet te schrijven voor de kinderen van Israël,

29. zeggende28): Indien gij niet hoort naar mijne stem, zal deze groote menigte weder worden tot het geringste onder de volken, werwaarts lk hen verstrooien zal.

30. Want Ik weet, dat het volk naar Mij niet hooren zal; het is

de voorspelling Jer. XIV12; XXIV10.

") Zie Jer. VII 14; XXVI 6, 9 de voorspelling aangaande den tempel.

,7) God nad Israël evenals zoovele andere volken geheel en al kunnen verdelgen; zie Jer. IV 27; V 10.

**) Te weten Lev. XXVI 14 volg. Deut. XXVIII 62.

Sluiten