Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Prophetia Ezechielis.

CAPÜT I.

HOOFDSTUK I.

Opschrift (v. 1—3). Verschijning van de heerlijkheid des Heeren: de vuurwolk mei de vier levende wezens (v. 4—14), de vier raderen (v. 15—21), het uitspansel (v. 22—25) en de troon des Heeren (v. 26—28).

T factum est in

trigesimo anno, in quarto, in quinta mensis, cum essem in medio captivorum juxta fluvium

Chobar, aperti sunt cceli, et vidi visiones Dei. infra III 28 et X 20 et XLIII 3.

2. In quinta mensis, ipse est annus quintus transmigrationis regis Joachin,

3. Factum est verbum Domini ad Ezechielem filium Buzi sacerdotem in terra Chaldaeorum, secus flumen Chobar: et facta est super eum ibi manus Domini.

') In het dertigste jaar, naar v. 2 «het vijfde jaar der wegvoering van Joachin», d. i. in het jaar 593. Sommigen denken aan het dertigste levensjaar van Ezechiël; doch hetgeen volgt in de vierde maand enz. (volgens oudIsraëlietische gewoonte van de Paaschmaand af geteld, omstreeks Juni-Juli) veronderstelt eerder eene gewone, algemeen gebruikelijke dan eene geheel persoonlijke jaartelling. Anderen stellen het dertigste jaar na Josias' hervorming omstreeks 623; doch het blijktniet, dat deze hervorming het aanvangspunt eener nieuwe jaartelling is geworden. Nog anderen stellen het dertigste jaar der toen gangbare Babylonische tijdrekening; doch Nabopalassar, van wiens troonsbeklimming men eene nieuwe jaartelling had kunnen beginnen, werd koning in 626.

*) De profeet woonde te midden der gevangenen; dezen waren echter bij dit

N het geschiedde in het dertigste jaar, in de vierde (maand), den vijfden der maand1), toen ik te midden der gevangenen aan den

stroom Chobar was2), dat de hemelen werden geopend; en ik zag gezichten Gods*).

2. Den vijfden der maand, dat is het vijfde jaar der wegvoering van koning Joachin,

3. geschiedde het woord des Heeren tot den priester Ezechiël, den zoon van Buzi, in het land der Chaldeën aan den stroom Chobar; en aldaar kwam op hem de hand des Heeren*).

visioen niet tegenwoordig, zie III 14, 15. De stroom Chobar is niet de Habor, waarheen volgens Iv* Reg. XVII 6 de Noord-Israëlieten waren heengevoerd; want de namen verschillen, en terwijl de Habor door Noord-Mesopotamië stroomde, vloeide de Chobar «in het land der Chaldeën» (v. 3), d. i. in Babylonië, werwaarts de ballingen uit Juda waren overgebracht (IV Reg. XXIV 15, 16).

*) De hemelen schenen voor zijne oogen als geopend; vgl. Matth. III 16. Daaruit kwamen gezichten Gods, d. i. de hierna beschreven verschijningen, welke door den profeet in geestvervoering met de oogen des geestes, niet met die des lichaam s, gezien werden; zij heeten gezichten Gods, omdat zij door God getoond werden en God zeiven tot voorwerp hadden. Zie v. 3 en

m 14.

*) Deze uitdrukking komt in de Pro-

Sluiten