Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nem dierum obsidionis: et assumes tertiam partem, et concides gladio in circuitu ejus: tertiam rero aliam disperges in ventum, et gladium nudabo post eos.

3. Etsumesindeparvumnumerum: et ligabis eos in summitate pallii tui.

4. Et ez eis rursum tolles, et projicies eos in medio ignis, et combures eos igni: et ex eoegredietur ignis in omnem domum Israël.

*) In het midden der stad, d. i. der op den tichelsteen (IV 1) afgebeelde stad. Zie verder IV noot 8. Dit eerste derde deel beteekent de inwoners van Jerusalem, die bij de belegering zouden omkomen. Zie v. 12, waar dit en ook het hier volgende verklaard wordt.

*) Vandaar, waar zij in den wind verstrooid liggen, zult gij een klein getal nemen. Hierdoor worden de weinige uitverkorenen beteekend, die uit de rampen der belegering en der ballingschap zouden gespaard blijven.

') Eene zinnebeeldige voorstelling der geschiedenis van Israël na de baf lingschap. Onder de weinige geredden zullen er zijn, die om hunne zonden door het vuur der goddelijke wraak zullen omkomen, nadat zij ten verderve geweest zijn voor geheel Israël. Daarom zal hieruit, d. i. uit dit wraakvuur, dat hen verteren zal, een vuur uitgaan, dat geheel het huis van Israël, te weten al dezulken, die brandstof voor dat vuur zullen zijn, en wel de groote menigte, zal verdelgen. Hierdoor schijnt het eindvonnis over de Synagoog, Israël's verwerping en ondergang beteekend, gelijk dit na den dood van Christus in vervulling is gegaan.—Volgens den H. Hiëronymus (in Os. I 8 en in Ez. IV 13) en sommige oudere en nieuwere uitleggers zijn de teekenen van IV 1 tot V 4 niet metterdaad door den profeet verricht, doch alleen in een profetisch gezicht of in den geest. Doch andere HH. Vaders en vele oudere en nieuwere schriftverklaarders houden te recht het tegendeel. Want naar den natuurlijken zin der woorden gelast God den profeet wat

der stad, bij de voleinding van de dagen der belegering3); en een derde deel zult gij nemen en met het zwaard in stukken snijden rondom haar; doch het andere derde zult gij verstrooien in den wind; en Ik zal het zwaard ontblooten achter hen.

3. En gij zult een klein getal vandaar nemen en ze binden in de slip van uwen mantel4).

4. En daarvan zult gij er wederom nemen en ze werpen in het midden des vuurs en ze verbranden door het vuur; en hieruit zal een vuur uitgaan over geheel het huis van Israël5). .

hij werkelijk en metterdaad moet verrichten. Nergens wordt op eenige wijze te kennen gegeven, dat dit in geestvervoering of in een gezicht, in den geest (zie daarentegen VIH 3; XI 24; XXXVII 1; XL 2) geschiedde. Wel het tegendeel, daar God hem (IV 12) gelast, zijn brood te bakken voor hunne oogen, d. i. terwijl de ballingen het zien. Ook hét gebed van den profeet in IV 14 en Gods antwoord in IV 15 veronderstellen allerduidelijkst,dat alles in werkelijkheid geschiedde. Hierbij komt het doel, hetwelk God met deze teekenen beoogde. Want in strijd met de verwachting der ballingen moest de profeet op zichtbare wijze toonen, dat Jerusalem's beleg en verovering inderdaad zouden geschieden en dat het overschot van Juda allerzekerst of gedood of in ballingschap zou gezonden worden. Wat echter de profeet alleen in den geest aanschouwde, was voor de ballingen niet zichtbaar; en het bloote verhaal dier teekenen zou krachteloos geweest zijn tegenover het ongeloof der ballingen. De bezwaren, tegen deze verklaring geopperd, zijn overdreven. Voorzeker was het gedwongen liggea op ééne zijde gedurende zoovele dagen allerlastigst; doch het diende ook om de komende straf op gevoelige wijze voor oogen te stellen. God echter, die het den profeet gebood, was machtig om hem hiertoe de noodige krachten te schenken en hem door geestelijke vertroosting het lichamelijk lijden te verlichten; zie III noot 23. Bovendien is de tijd naar de Septuag. aanmerkelijk korter (zie IV noot 6 en vgl. noot 8 aan het einde).

Sluiten