Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. Et introduxit me in atrium domus Domini interius: et ecce in ostio templi Domini inter vestibulum et altare, quasi viginti quinque viri dorsa habentes contra templum Domini. et facies ad ori entem: et adorabant ad ortum solis.

17. Et dixit ad me: Certe vidisti fili hominis: numquid leve est hoe domui Juda ut facerent abominationes istas, quas fecerunt hic: quia replentes terram iniquitate conversi sunt ad irritandum me? et ecce applicant ramum ad nares suas.

18. Ergo et ego faciam in furore: non pareet oculus meus, nee miserebor : et cum clamaverint ad aures meas voce magna, non exaudiam eos.

16. En Hij bracht mij in het binnenste voorhof van het huis des Heeren; en zie, aan den ingang van den tempel des Heeren, tusschen het voorportaal en het altaar, als het ware vijf en twintig mannen, die hunnen rug keerden naar den tempel des Heeren en hun aangezicht naar het oosten; en zij bogen zich neder naar de opgaande zbtV^V

17. En Hij zeide tot mij: Wis hebt gij het gezien, menschenzoon! Is net dan voor het huis Juda te gering, de gruwelen te doen, die zij hier gedaan hebben, daar zij, bét land vullend met geweldenarij, Mij andermaal tarten? En zie, zij houden den tak voor hunne neusgaten1*)!

18. Derhalve zal ook Dx in gramschap handelen; mijn oog zal niet sparen, en Ik zal geen medelijden hebben; en al roepen zij voor mijne ooren met luider stem, Dx zal hen niet ver hooren15).

deze jaar op jaar liefheeft en die gedurig sterft en herleeft. Daarom werd bij, inzonderheid door de vrouwen, beurtelings betreurd en bezongen.

") In het binnenste, voor de priesters (en levieten) alleen toegankelijke voorhof, aan den ingang van den eigenlijken tempel, tusschen het voorportaal van het Heilige (III Reg. VI 3) en het ter verzoening opgerichte brandofferaZtoar, ter plaatse wjtar de priesters als middelaars tusschen God en het volk moesten optreden (Joel II 17), aldaar keerden dezen met verachting den rug naar Gods troon (zie II Par. XXIX 6; Is. I 4; Jer. II 27), om (Hebr.) «oostwaarts de zón* te aanbidden. Van deze afgoderij is reeds sprake in Deut XVII 3; zij hing samen met den dienst van Baal (VI 4) en was vooral onder Manasses in zwang geweest (IV Reg. XXIII 6, 11). Door de mannen zijn priesters bedoeld; dit volgt uit de plaats, waar zij stonden. Hun getal vijf en twintig wijst op de vier en twintig priesterklassen (I Par. XXIV 4—18), waarbij nog de hoogepriester komt; zóó zijn zij de vertegenwoordigers van al de priesters; vgl. II Par.

XXXVI 14. Het woordje quasi, als het ware, geeft te kennen, dat het eien profetisch gezicht, geene werkelijkheid was. , u

") Alsof al de voorafgaande afgoderij, waarbij zij allerlei geweldenarij voegden, niet genoeg was, tarten zfi Mij nog op de volgende wijze» houden den tak, Hebr.: «de wijnrank», voor hunne neusgaten. Dit doelt vermoedelijk op een afgodisch gebruik bij de vereering der zon. Ook de Perzen hielden bij den zonnedienst een bundeltje takjes in de linkerhand. Volgens anderen is het een spreekwoord, welks beteekenis is verloren gegaan. Naar de Septuag., waarmede de Syrische vertaling en de Grieksche van Symmachus ongeveer overeenstemmen: «Zie, zij trekken als het ware den neus op», een verachtend en uittartend gebaar tegen God zeiven!

") Zie V 11; VII4,9. Ik tal hen niet verhooren, opdat zij, ten minste door den rampspoed gedwongen, hunne schuld beseffen. In de Septuag. ontbreekt het tweede halfvers, misschien om de overeenkomst met IX la.

Sluiten