Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Hasc dicit Dominus Deus: Vas prophetis insipientibus, qui sequuntur spiritum suum, et nihil vident.

4. Quasi vulpes in desertis, prophetas tui Israël erant.

5. Non ascendistis ex adverso, neque opposuistis murum pro domo Israël, ut staretis in prcelio in die Domini.

6. Vident vana, et divinant mendacium, dicentes: Ait Dominus: cum Dominus non miserit eos: etperseveraverunt confirmare sermonem.

7. Numquid non visionem cassam vidistis, et divinationem mendacem locuti estis? et dicitis, ait Dominus: cum ego non sim locutus.

8. Propterea hasc dicit Dominus Deus: Quia locuti estis vana, et vidistis mendacium: ideo ecce ego ad vos, dicit Dominus Deus:

9. Et erit manus mea super prophetas, qui vident vana, et divinant mendacium: in consilio populi mei non erunt, et in scriptura domus Israël non scribentur, nee in terram Israël ingredientur: et seietis quia ego Dominus Deus:

10. Eo quod deceperint populum meum, dicentes: Pax, et non est

') Uitzinnige, d. i. goddelooze en gewetenlooze (vgl. Ps. XIII 1); die niets zien, d. i. geene profetische openbaringen van God hebben. Hebr.: «die hun eigen geest volgen en datgene wat zij niet gezien hebben», d. i. voorgewende openbaringen.

*) Als vossen, die door hun graven en wroeten de verwoesting nog vergrooten, zoo werkten zij mede tot den spoedigen val van den ten ondergang neigenden staat.

') Hebr.: «Gij zijt niet opgeklommen in de bressen». In plaats van zich, als dapperen, op te offeren voor het behoud des volks en den dreigenden ondergang af te wenden (door boetprediking, gelijk een waren profeet be-

3. Dit zegt de Heere God: Wee den uitzinnigen profeten, die hun eigen geest volgen en niets zien3)!

4. Als vossen in verwoeste plaatsen waren uwe profeten, o Israël4)!

5. Gij zijt niet opgerezen tot tegenweer, noch hebt gij eenen muur opgeworpen voor het huis van Israël om pal te staan in den strijd ten dage des Heeren5)!

6. Zij zien ijdele dingen, en zij voorspellen leugen, zeggende: De Heer spreekt, terwijl de Heer hen niet gezonden heeft; en zij gaan voort met het woord te bevestigen6).

7. Hebt gij dan niet een ijdel gezicht gezien en valsche waarzegging gesproken? En gij zegt: De Heer spreekt, terwijl Ik niet heb gesproken.

8. Derhalve zegt dit de Heere God: Omdat gij ijdele dingen gesproken en leugen gezien hebt, daarom, zie, Ik tegen u, zegt de Heere God.

9. En mijne hand zal zijn op de profeten, die ijdele dingen zien en leugen voorspellen; in den raad van mijn volk zullen zij niet zijn en in het boek van het huis van Israël niet worden opgeschreven noch in het land van Israël binnengaan7); en gij zult weten, dat Ik ben de Heere God;

10. dewijl zij mijn volk misleid hebben8), zeggende: Vrede, en er

taamt), hadden zij zich in den strijd, d. i. in het uur des gevaars, op den wraakdao des Heeren, lafhartig verscholen en zich gedragen als vossen, die in de holen wegschuilen.

") Zie Jer. XXIII 21, 31. En zy gaan voort enz., Hebr.: «en zij hopen (of «doen hopen») het woord gestand te doen», m. a. w. dwaselijk hopen zij (of wekken bij hunne hoorders de hoop) op de vervulling hunner voorzeggingen.

7) Zij zullen geen raadslieden meer zijn, ja zelfs geen deel meer uitmaken van het volk Gods, maar in de ballingschap omkomen. — In het boek of volksregister wordt men opgeschreven ten bewijze van het burgerschap; zie Ps. LXXXVI 6.

8) Mijn volk zegt God, medelijdend.

Sluiten