Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

contristavi: et confortastis manus impii, ut non reverteretur a via sua mala, et viveret:

23. Propterea vana non videbitis, et divinationes non divinabitis amplius, et eruam populum meum de manu vestra: et seietis quia ego Dominus.

CAPUT XIV.

] dien Ik geen leed gedaan heb18), en de hand des goddeloozen versterkt hebt19), opdat hij van zijnen boozen weg niet terugkeere en leve, | 23. daarom zult gij niet langer j ijdele dingen zien en voorspellingen voorspellen; en Ik zal mijn volk bevrijden uit uwe hand; en gij zult weten, dat Dx de Heer ben.

HOOFDSTUK XIV.

De afgodendienaars en de gave der profetie (v. 1—11). Jerusalem's straf en schuld, het lot zijner weinige overblijfselen (v. 12—23).

1. Et venerunt ad me viri seniorum Israël, et sederunt coram me.

2. Et factus est sermo Domini ad me, dicens:

3. Fili hominis, viri isti posuerunt immunditias suas in cordibus suis, et scandalum iniquitatis suas statuerunt contra faciem suam: numquid interrogatus respondebo eis?

4. Propter hoe loquere eis, et dices ad eos: Haec dicit Dominus Deus: Homo homo de domo Israël, qui posuerit immunditias suas in corde suo, et scandalum iniquitatis suas statuerit contra faciem suam, et venerit ad prophetam interrogans per eum me: ego Dominus respondebo ei in multitudine immunditiarum suarum:

1. En er kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israël, en zij zetten zich voor mij neder1).

2. En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende:

3. Menschenzoon, deze mannen hebben hunne onreinheden opgericht in hunne harten en den valstrik hunner ongerechtigheid gesteld voor hun aangezicht — zou Dx dan, ondervraagd zijnde, hun antwoorden*)?

4. Daarom spreek tot hen en zeg hun: Dit zegt de Heere God: Man voor man van het huis van Israël, die zijne onreinheden opricht in zijn hart en den valstrik zijner ongerechtigheid stelt voor zijn aangezicht en tot den profeet komt, Mij door hem ondervragende — Dx, de Heer, zal hem antwoorden naar de menigte zijner onreinheden3) ;

") Door aan den gerechte onheil te voorspellen, wat God hem niet wil aandoen.

10) Door hem geluk te profeteeren.

l) In 1—11 onderricht God den profeet over de vraag, of en in hoeverre Hij zijn woord genadiglijk mededeelt aan zondaren en afgodendienaars. Vgl. Is. LVIII noot 2. Mannen uit de oudsten, zie VIII 1. De aanleiding en het doel van hunne komst worden niet uitgedrukt. Wel echter blijkt uit het volgende, dat zij bij den profeet raad en

troost meenden te vinden, hoewel zij, althans in hun hart, nog aan de afgoderij hingen.

*) Zij hebben hunne onreinheden of drekgoden (zie VI noot 5) opgericht in hunne harten, d. i. denken daaraan met welbehagen. Zij hebben zelfs de afgoden, die nog immer de valstrik, d. L de aanleidende oorzaak (zie VII 19), zijn van hunne zonden en hunne schuld, gesteld voor hun aangezicht, door ze, althans in het geheim, te vereeren.

3) Ik zal hem antwoorden «door

Sluiten