Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. Et sumens de vestimentis tuis feoisti tibi excelsa hinc inde consuta: et f ornicata es super eis, sicut non est factum, neque futurum est.

17. Et tulisti vasa decoris tui de auro meo, atque argento meo, quse dedi tibi: et fecisti tibi imagines masculinas, et fornicata es in eis.

18. Et sumpsisti vestimenta tua multicoloria, et operuisti illas: et oleum meum, et thymiama meum posuisti coram eis.

19. Et panem meum, quem dedi tibi, similam, et oleum, et mei, quibus enutrivi te, posuisti in conspectu eorum in odorem suavitatis, et factum est, ait Dominus Deus.

20. Et tulisti filios tuos, et filias tuas, quas generasti mihi: et immolasti eis ad devorandum. Numquid par va est fornicatio tua?

21. Immolasti filios meos, et dedisti, illos consecrans, eis.

22. Et post omnes abominationes tuas, et fornicationes, non es recordata dierum adolescentise tuse, quando eras nuda, et confusione plena, conculcata in sanguine tuo.

23. Et accidit post omnem mali-

lichtzinnig (Hebr.) «storttet gij uwe hoererijen uit» voor ieder, die voorbij ging, om de zijne te worden, gij, die de mijne waart (v. 8)!

") In v. 16—22 beschrijft de profeet Israël's Chanaanietischen hoogtenen beeldendienst en zijne menschenoffers aan de afgoden. Hoogten zijn de op hooge plaatsen opgerichte heiligdommen of tenten, die bedekt waren met van weerszijden aaneengenaaide, naar de vertaling van Symmachus, »met veelkleurige» kleedingstoffen (vgl. IV Reg. XXIII 7).

1T) En gij naamt enz., zooals Exod. XXXH 2, van mijn goud enz., zie Os. II 8, 9. Mansbeelden, d. i. beelden, die eene mannelijke godheid voorstelden, waarmede het als vrouw gedachte Jerusalem hoereerde.

16. En van uwe kleederen nemend, maaktet gij u hoogten, van weerszijden aaneengenaaid, en gij hoereerdet daarop — zooals niet geschied is noch geschieden zal16).

17. En gij naamt uwe pronksieraden van mijn goud en mijn zilver, welke lk u gegeven had; en gij maaktet u mansbeelden en hoereerdet daarmede17).

18. En gij naamt uwe veelkleurige kleederen en bekleeddet hen, en mijne olie en mijnen wierook zettet gij voor hen.

19. En mijn brood, dat Ik u gegeven had, tarwebloem en olie en honig, waarmede Ik u gespijsd had, steldet gij voor hun aangezicht tot een welriekenden geur18); en het is geschied, zegt de Heere God!

20. En gij naamt uwe zonen en uwe dochters, die gij Mij gebaard hadt, en slachtofferdet dezen hun ter verslinding19)! Is uw hoereeren dan gering20)?

21. Gij slachtofferdet mijne kinderen en gaaft ze, door ze toe te wijden21), aan hen!

22. En na22) al uwe gruwelen en hoererijen waart gij niet indachtig aan de dagen uwer jeugd, toen gij naakt waart en vol schaamte, vertreden in uw bloed.

23. En het geschiedde23) na al uwe

") Tot een welgevallig spijsoffer; zie op Lev. I.

") Kinderen, die aan den Heer, den wettigen man, toebehoorden, gaven zij aan den Moloch ter verslinding door het vuur. Zie Jer. VII 31.

,0) Deze vraag verbindt men naar het Hebr. met het volgende v. 21: Was uw hoereeren (v. 15—19) dan gering, d. i. nog niet erg genoeg, dat gij bovendien mijne kinderen aan den Moloch offerdet?

J') Hebr.: «ze door (het vuur) latende gaan»; zie Jer. XXXII noot 30.

") Hebr. «bij». Zie verder op v. 6 en 7.

") De profeet schildert in v. 23—25 de zonden onder Manasses, toen allerlei heidensche gruwelen in Jerusalem gepleegd werden. Hierdoor werd de

Sluiten