Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tiam tuam (vse, vas tibi, ait Dominus Deus)

24. Et aedificasti tibi lupanar, et fecisti tibi prostibulum in cunctis plateis.

25. Ad omne caput viae sedificasti signum prostitutionis tuse: et abominabilem fecisti decorem tuum: et divisisti pedes tuos omni transeunti, et multiplicasti fornicationes tuas.

26. Et fornicata es cum filiis Mgypti vicinis tuis magnarum carnium: et multiplicasti fornicationem tuam ad irritandum me.

27. Ecce ego extendam manum meam super te, et auferam justificationem tuam: et dabo te in animas odientium te filiarum Palsestinarum, quse erubescunt in via tua scelerata.

28. Et fornicata es in filiis Assyriorum, eo quod necdum fueris expleta: et postquam fornicata es, nee sic es satiata.

29. Et multiplicasti fornicationem tuam in terra Chanaan cum Chaldaeis: et nee sic satiata es.

boosheid (wee, wee u, zegt de Heere God),

24. ja, gij bouwdet u een bordeel en maaktet u een huis van ontucht24) in alle straten.

25. Op eiken straathoek bouwdet gij een teeken uwer ontucht, en afgrijselijk maaktet gij uwe schoonheid; en gij spreiddet uwe voeten vaneen voor al wie voorbijging, en gij vermenigvuldigdet uwe hoererijen.

26. En gij hoereerdet met de zonen van Egypte, uwe naburen, groot van vleesch; en gij vermenigvuldigdet uw hoereeren om Mij te tarten25).

27. Zie, Ik strek mijne hand uit tegen u, en lk ontneem uw recht; en Ik geef u prijs aan de zielsbegeerten van uwe haters, de dochters der Philistijnen, die zich schamen over uwen snooden wandel26).

28. En gij hoereerdet met de zonen der Assyriërs, omdat gij nog niet verzadigd waart43); en na gehoereerd te hebben, waart gij ook dan niet verzadigd.

29. En gij vermenigvuldigdet uw hoereeren in het land Chanaan met de Chaldeën, en ook dan waart gij niet verzadigd28).

maat van Juda's zonden vol; zie IV Reg. XXI 11, 12; Jer. XV 4.

") Hebr.: «rama», dat in v. 25 door signum prostitutionis tuce, een teeken uwer ontucht, doch beter in v. 31 door excelsum, d. i. hoogte, vertaald is. Op zulke kunstmatig opgerichte hoogten stonden in Jerusalem's straten de afgodische altaren (vgl. IV Reg. XXIII 13 en Jer. XIX 5), welke om de aldaar gepleegde ontuchtige afgoderij als bordeelen waren.

") De profeet noemt (v. 26—29) drie volken, waarmede Juda, in strijd met Gods wil, staatkundige verbintenissen sloot, en wier afgoderij het navolgde. Vooreerst Egypte, dat, om zijne schandelijke dierenaanbidding berucht, groot van vleesch, d. i. in hooge mate ontuchtig, genoemd wordt. Vgl. XXIII 20.

*") Beter naar het Hebr. en volgens den H. Hiëronymus in het verleden:

«Zie, Ik strekte mijne hand uit tegen u», d. i. Ik strafte u, om dat heulen met Egypte en ontnam u het recht op kost en kleeding, dat u als wettige echtgenoote van mijnentwege toekwam. M. a. w. God strafte zijn volk door hongersnood (vgl. Jer. XIV 1—6; Joël 14 volg.) Hij gaf het prijs aan de Philis-

I tiinen, die het naar hunne zielsbegeerten plunderden. — De dochters, d. i. de steden der Philistijnen, die aan hare landgoden getrouw waren gebleven, schaamden zich over Jerusalem, dat ontucht bedreef met vreemde goden. Vgl. Jer. II 10—12.

**) Omdat gij nog niet verzadigd waart aan de Egyptenaren, hoereerdet gij, d. i. sloot gij verbintenissen, met de Assyriërs en volgdet de Assyrische afgoderij na. Zie IV Reg. XVI 7 volg.

| en vgl. Jer. II 18, 36.

28) Aangezien Chanaan ook «handel»

Sluiten