Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30. In quo mundabo cor tuum, ait Dominus Deus: cum facias omnia hasc opera mulieris meretricis, et procacis?

31. Quia fabricasti lupanar tuum in capite omnis vias, et excelsum tuum fecisti in omni platea: nee facta es quasi meretrix fastidio augens pretium,

32. Sed quasi muiier adultera, qua? super virum suum inducit alienos.

33. Omnibus meretricibus dantur mercedes: tu autem dedisti mercedes cunctis amatoribus tuis, et dona donabas eis ut intrarent ad te undique ad fornicandum tecum.

34. Factumque est in te contra consuetudinem mulierum in fornicationibus tuis, et post te non erit fornicatio: in eo enim quod dedisti mercedes, et mercedes non accepisti, factum est in te contrarium.

35. Propterea meretrix audi verbum Domini.

36. Haec dicit Dominus Deus: Quia effusum est ses tuum, et revelata

en «handelaar» (vgl. Hebr. en Vuig. Zach. XIV 21) beteekent, vertaalt men vrij algemeen het Hebr.: «tot het handelaarsland, tot Chaldea»; vgl. XVII4. Babyion, de hoofdstad, was eene der voornaamste handelssteden der oude wereld; zie Is. XLVII 15. Zie voor het hoereeren met Chaldea XXIII 14—18. Over Israël's staatkundige verbintenissen met Chaldea vermeldt de geschiedenis weinig (vgl. Is. XXXIX; IV Reg. XX 12 volg.); doch het handelsverkeer moet wel aanzienlijk geweest zijn, daar een der drie groote handelswegen van Egypte en van de Middellandsche Zee naar Babyion door Juda-Israël liep.

") In de volgende vergelijking (v. 31—34) wordt het overspelige Israël beneden eene hoer gesteld. Deze toch laat zich minder gelegen liggen aan liefde dan aan loon. Israël daarentegen, verre van loon te ontvangen, betaalt zelf hare minnaars, terwijl niemand op hare liefde gesteld is. Vgl. Os. VIII 9 volg.

*°) d. i. Die, meer dan verzadigd om

30. Waarmede zal De uw hart reinigen, zegt de Heere God, dewijl gij al deze werken doet eener hoereerende en schaamtelooze vrouw?

31. Want29) gij bouwdet uw bordeel op den hoek van eiken weg, en uwe hoogte maaktet gij op elke straat; en gij waart met als eene hoer, die van afkeer den prijs verhoogt30);

32. maar als eene overspelige vrouw, die buiten haren man vreemden binnenlokt31).

33. Aan alle hoeren wordt loon gegeven ; gij echter, gij gaaft loon aan al uwe minnaars en schonkt hun geschenken, opdat zij van alle zijden tot u zouden binnengaan om te hoereeren met u32).

34. Alzoo geschiedde met u tegen de gewoonte der vrouwen bij uwe hoererijen, en na u zal er geene hoererij zijn83); daarin toch, dat gij loon gaaft en geen loon ontvingt, geschiedde met u het tegendeel.

35. Daarom, hoereerster, hoor het woord des Heeren34)!

36. Dit zegt de Heere God: Omdat uw kopergeld werd uitgestort

de vele aanzoeken, een boogeren prijs bedingt. De vergelijking wordt in v. 33 nader verklaard.

S1) Die louter uit wellust ontrouw pleegt aan haren man.

") De geschenken zijn de schattingen, welke Juda aan die volken moest opbrengen, en de offers, welke het aan de afgoden dier volken bracht (zie v. 17—21 en 36).

sa) Want uwe hoererij overtreft elke andere zoover, dat deze den naam van hoererij niet verdient. Het Hebr. echter verklarende, hoe Israël deed tegen de gewoonte der vrouwen, heeft: «en (want) men hoereerde u niet achterna», d.i. men liep u niet na om met u te hoereeren, doch gij liept uwe minnaars achterna. Het andere verschil volgt in het tweede halfvers.

") Aankondiging der straf. De beleedigde echtgenoot zal haar al de straffen eener overspeelster doen ondergaan (v. 35—43).

Sluiten