Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT XVIIL

HOOFDSTUK XVÜI.

Gods rechtvaardigheid tegenover gerechtigen en zondaars. Ieder wordt beloond of gestraft voor zijn eigen daden, niet voor die van anderen (v. 1—20), volgens hetgeen hij is, niet volgens hetgeen hij geweest is (v. 21—30a). üitnoodiging tot bekeering (v. 30b—32).

1. Et factus est sermo Domini ad me, dicens:

2. Quid est quod inter vos parabolam vertitis in proverbium istud in terra Israël, dicentes: Patres comederunt uvam acerbam, et dentes filiorum obstupescunt ? Jer. XXXI29.

3. Vivo ego, dicit Dominus Deus, si erit ultra vobis parabola hasc in proverbium in IsraeL

4. Ecce omnes animas, meas sunt: ut anima patris, ita et anima filii mea est: anima, quas peccaverit, ipsa morietur.

5. Et vir si fuerit justus, etfecerit judicium, et justitiam,

6. In montibus non comederit, et oculos suos non levaverit ad idola domus Israël: et uxorem proximi sui non violaverit, et ad mulierem menstruatam non accesserit:

1. En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende1):

2. Waarom gebruikt gij onder ulieden, in het land van Israël, bij wijze van spreuk dit spreekwoord, zeggende: De vaders hebben zure druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp2).

3. Zoo waar Ik leef, zegt de Heere God, voorwaar, deze spreuk zal u niet langer dienen tot een spreekwoord in Israël8)!

4. Zie, al de zielen zijn de mijne j gelijk de ziel des vaders, zoo is ook de ziel des zoons de mijne; de ziel, die zondigt, zij zal sterven4)!

5. En als iemand gerechtig is en recht en gerechtigheid betracht;

6. als hij op de bergen niet eet5) en zijne oogen niet opslaat naar de afgoden van het huis van Israël; en als hij de huisvrouw zijns naasten niet onteert6) en tot eene vrouw in de maandstonden niet nadert ;

>) Ezechiël's tijdgenooten zagen in hunne rampen de straf, niet voor eigen zonden, doch voor de zonden hunner vaderen (zie Exod. XX 5; XXXIV 7 ; Jer. XV 4). Deze in een spreekwoord uitgedrukte (v. 2) opvatting leidde niet tot zelfvernedering en bekeering, maar tot moedeloosheid en verharding in het kwaad. Daarom volgt na hoofdst. XVI, waarin de strafwaardigheid des volks om de zonden van alle geslachten is aangetoond, deze onderrichting over Gods rechtvaardigheid.

*) In het land, Septuag. «onder de zonen», van Israël. De in Juda en Jerusalem overgeblevenen gaven biermede te kennen, dat zij, het tegenwoordige geslacht, moesten boeten voor de zonden der vaderen. Zie Jer. XXXI 29 en vgl. Exod. XX noot 8.

») Want Gods rechtvaardigheid tegenover ieder in het bijzonder zal zich zóó

klaarblijkelijk toonen, dat niemand dit spreekwoord in genoemden zin voortaan bezigen zal.

*) God is de Heer en de Vader van allen en daarom tegenover allen gelijkelijk rechtvaardig. Derhalve laat Hij zich door geene vooringenomenheid en partijdigheid besturen, doch straft alleen hem, die het verdient. Vgl. Gen. XVIII 25; Job XXXIV 10—12; Rom. III5, 6. Leven en sterven beteekent bier in het algemeen de belooning der deugd en de straf des kwaads of zegen en vloek, naar Deut. XXX 15, 19.

') d. i. Niet deelneemt aan de afgodische offermaaltijden in de heiligdommen op de hoogten; vgl. XVI16 en Deut. XII 2.

°) Niet onteert door overspel, Exod. XX 14. Zie vérder Lev. XVIII 19 en XX 18.

Sluiten