Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13. Et irritaverunt me domus Is* rael in deserto, in praeceptis meis non ambulaverunt, et judicia mea projecerunt, qua? faciens homo vivet in eis: et sabbata mea violaverunt vehementer: dixi ergo ut effunderem furorem meum super eos in deserto, et consumerem eos.

14. Et feci propter nomen meum ne violaretur coram gentibus, de quibus ejeci eos in conspectu earum.

15. Ego igitur levavi manum meam super eos in deserto, ne inducerem eos in terram, quam dedi eis fluentem lacte, et melle, praecipuam terrarum omnium:

16. Quia judicia mea projecerunt, et in praeceptis meis non ambulaverunt, et sabbata mea violaverunt: post idola enim cor eorum gradiebatur.

17. Et pepercit oculus meus super ecs ut non interficerem eos: nee consumpsi eos in deserto.

18. Dixi autem ad filios eorum in solitudine: In praeceptis patrum vestrorum nolite incedere, nee judicia eorum custodiatis, nee in idolis eorum polluamini:

13. En zij tergden Mij, het huis van Israël, in de woestijn; in mijne geboden wandelden zij niet en mijne rechten verwierpen zij, waardoor de mensch, die ze vervult, zal leven; en mijne sabbatten schonden zij grootelijksu); Dx zeide dan mijnen toorn over hen te zullen uitstorten in de woestijn en hen te zullen verdelgen15).

14. En Dx handelde om wille van mijnen naam, opdat hij niet onteerd zou worden voor de heidenen, uit wie en onder wier oogen Dx hen had uitgevoerd16).

15. Ik hief derhalve mijne hand op tegen hen in de woestijn, om hen met binnen te leiden in het land, dat Dx hun gegeven heb, overvloeiende van melk en honig, het uitmuntendste van alle landen17) ;

16. omdat zij mijne rechten verworpen en in mijne geboden niet gewandeld en mijne sabbatten geschonden hadden; de afgoden toch wandelde hun hart achterna18).

17. En mijn oog heeft hen gespaard, zoodat Dx hen niet doodde; ook heb Ik hen niet verdelgd in de woestijn19).

16. Ik nu zeide tot hunne kinderen in de woestijn: Wandelt toch niet in de geboden uwer vaderen en onderhoudt hunne rechten niet en verontreinigt u niet aan hunne afgoden20).

in de ballingschap bijna het eenige uiterlijke kenteeken was van den Israëliet. Vgl. Lev. XIX 3, 30; XXVI 2; Jer. XVII 19 volg.; Is. LVI 1 volg.; LVIII 13. — Tegenover deze weldaden Gods (v. 10—12) staat wederom Israël's ontrouw na den uittocht en de wetgeving (v. 13—17).

14) Zie voor het schenden van den sabbat Exod. XVI 27 volg. en Num. XV 32 volg.; voor Israël's weerspannigheid in het algemeen Exod. XXXII 1 volg.; Num. XIV 1 volg.; XVI 2; XXI 5; XXV 2 volg.

16) Zie noot 10. God had het plan hen te verdelgen; zie Exod. XXXII 10;

XXXIII 3; Num. XIV 12; Deut. IX 14.

") Zie noot 11 en vgl. Num. XIV 13—17.

") Zie dit onder eede uitgesproken vonnis Num. XIV 20—23, 28—45. Vgl. Deut. I 35. Het uitmuntendste, zie noot 7.

1S) Zie voor de afgoderij in de woestijn Exod. XXXII 4 volg.; Lev. XVII 7; Num. XXV 1—3; Deut. IV 3; Jos. XXII17; Am. V 26.

") Integendeel, God liet een nieuw geslacht in de woestijn opkomen, over hetwelk in v. 18—26 gesproken wordt.

") Geboden en rechten in oneigenlijken zin (vgl. XI 12), te weten de

Sluiten