Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26. Et pollui eos in muneribus suis cum offerent omne, quod aperit vul. vam, propter delicta sua: et scient quia ego Dominus.

27. Quamobrem loquere ad domum Israël, fili hominis: et dices ad eos: Hasc dicit Dominus Deus: Adhue et in hoe blasphemaverunt me patres vestri, cum sprevissent me contemnentes:

28. Et induxissem eos in terram, super quam levavi manum meam ut darem eis: viderunt omnem collem excelsum, et omne lignum nemorosum, et immolaverunt ibi victimas suas: et dederunt ibi irritationem oblationis suas, et posuerunt ibi odorem suavitatis suas, et libaverunt libationes suas.

29. Et dixi ad eos: Quid est excelsum, ad quod vos ingredimini? at vocatum est nomen ejus Excelsum usque ad hanc diem.

30. Propterea die ad domum Israël: Hasc dicit Dominus Deus: Certe in via patrum vestrorum vos polluimini, et post offendicula eorum vos fornicamini:

26. En Ik verontreinigde hen bij hunne offeranden, als zij offerden al wat den moederschoot opent, wegens hunne misdrijven; en zij zullen weten, dat lk de Heer ben26).

27. Daarom spreek tot het huis van Israël, menschenzoon, en zeg tot hen: Dit zegt de Heere God: Ook hiermede27) nog hebben uwe vaderen Mij gelasterd, toen zij Mij met verachting versmaad hebben,

28. en Ik hen had binnengeleid in het land, waarover De mijne hand heb opgeheven om het hun te geven: zij zagen er eiken hoogen heuvel en eiken dichtgetakten boom en slachtofferden daar hunne offerdieren en brachten daar de uittarting van hun spijsoffer en legden daar hunnen welriekenden geur en plengden er hunne plengoffers28).

29. En Ik zeide tot hen: Wat is de hoogte, waarheen gij u begeeft? En men noemde haren naam Hoogte tot op den huidigen dag29).

30. Daarom zeg tot het huis van Israël: Dit zegt de Heere God: Voorzeker gij, met den wandel uwer vaderen verontreinigt gij u, en hunne verfoeisels hoereert gij na30) !

in zooverre zij bestemd waren om het volk tot zijnen plicht te brengen.

") Volgens de meesten is de zin: Ik liet toe, tot straf hunner misdrijven (vgl. Act. VII 42; Rom. I 24; II Thess. II 11; vgl. Is. VI 10), dat zij zich verontreinigden (zie v. 30, 81) door hunne offeranden aan de afgoden, inzonderheid door het offer hunner eerstgebo> renen aan den Moloch (zie XVI 20). Verontreinigen kan echter, gelijk Lev. XIII 25, beteekenen: onrein verklaren; en dan is de zin: Ik verklaarde hen onrein bij hunne offeranden, die zij aan Mij brachten, zelfs bij het toewijden hunner eerstgeborenen aan Mij; zie Exod. XIII 12, waar in den grondtekst voor de toewijding der eerstgeborenen aan Jehova dezelfde uitdrukking wordt gebezigd. — Zoo handelde God wegens hunne misdrijven; het Hebr. heeft hiervoor: «om hen te doen verstommen, opdat zij weten, dat Ik

Jahve ben*; de Septuag.: «opdat Ik hen verdelge».

") Met hetgeen in v. 286 volgt.

n) Er is sprake van het geslacht, dat onder Josue het beloofde land was ingegaan en, ondanks Deut. XII 13, gedurig zondigde door allerlei offers op te dragen op de hoogten. Zie VI 13; XVI 16 en vgl. Ia. LVII 6; Jer. II 20.

") Ik zeide, door den mond der pro* f eten, en betuigde, door de hier volgende vraag, herhaaldelijk mijne verachting en verontwaardiging voor den immer voortdurenden eeredienst in de op de hoogten gebouwde heiligdommen. En toch bleef de naam dier heiligdommen: Hoogte, Hebr. «barna», tot in de ballingschap in zwang, ten bewijze van den altijd voortdurenden hoogtendien st.

*°) De ballingen deden dit met hun hart, de achtergeblevenen in Juda met de daad.

VI

42

Sluiten