Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

31. Et in oblatione donorum vestrorum, cum traducitis filios vestros per ignem, vos polluimini in omnibus idolis vestris usque hodie: et ego respondebo vobis domus Israël? Vivo ego, dicit Dominus Deus, quia non respondebo vobis.

32. Neque cogitatio mentis vestra; fiet, dicentium: Erimus sicut gentes, et sicut cognationes terras ut colamus ligna, et lapides.

33. Vivo ego, dicit Dominus Deus. quoniam in manu forti, et in bracbio eztento, et in furore effuso regnabo super vos.

34. Et educam vos de populis: et congregabo vos de terris, in quibus dispersi estis, in manu valida, et in bracbio extento, et in furore effuso regnabo super vos.

35. Et adducam vos in desertum populorum, et judicabor vobiscum ibi facie ad faciem.

36. Sicut judicio contendi adversum patres vestros in deserto terras .Egypti, sic jndicabo vos, dicit Dominus Deus.

31. En door de offerande uwer gaven, als gij uwe kinderen door het vuur doet gaan, verontreinigt gij u aan al uwe afgoden tot op den huidigen dag — en Dx zou ulieden antwoorden, huis van Israël? Zoo waar Dx leef, zegt de Heere God, voorwaar, Dx zal u niet antwoorden.

32. Ook zal de gedachte van uwen geest niet geschieden, van u, die zegt: Wij zullen zijn gelijk de heidenen en gelijk de geslachten der aarde, zoodat wij hout en steenen vereeren.

33. Zoo waar Dx leef, zegt de Heere God, voorwaar met sterke hand en met nitgestrekten arm en met uitgestorte verbolgenheid zal lk heerschen over usl) T

34. En Dx zal u wegvoeren uit de volken en u verzamelen uit de landen, waarin gij verstrooid zijt, met machtige hand en met uitgestrekten arm en met uitgestorte verbolgenheid zal Ik heerschen over u**).

35. En Dx zal u brengen naar de woestijn der volken; en Dx zal aldaar met u gericht houden van aangezicht tot aangezicht.

36. Gelijk Ik gericht heb gehouden tegen uwe vaderen in de woestijn van het land Egypte, alzoo zal Dx u richten, zegt de Heere God33).

M) Door zijne voortdurende ontrouw, ■ eeuw aan eeuw, had Israël getoond, dat | het als het ware een in zijnen geest overlegd plan was om Jehova en zijn | verbond te versmaden en heidensch te j worden in godsdienst en zeden. Doch dit zal niet geschieden, omdat het in strijd is met Gods raadsbesluit, te weten dat het heil der wereld zou komen uit Israël. Daarom (v. 33) zal God door zijne oppermacht (met sterke hand enz.; zie Exod, VI 1; XIII 3 enz.) en met de straffen zijner verbolgenheid | zijn volk als het ware dwingen zijne opperheerschappij te erkennen. Zoo zal ook nu gelden Is. I 27: «Sion zal door gericht verlost worden». Hiermede begint de aankondiging van Israël's herstelling.

**) De laatste woorden tal Ik heer-

schen over u heeft noch het Hebr. noch de Septuag.; zij schijnen uit v. 33hier bijgevoegd.

**) Onder beelden, ontleend aan hetgeen met de vaderen geschied was in de woestijn na de verlossing uit Egypte, wordt Gods handelwijze met de ballingen hier voorgesteld. Zij wilden zijn gelijk de heidenen (v. 32), doch God zal hen wegvoeren uil de volken met dezelfde almacht als voorheen (v. 84). Hij zal hen brengen naar de woestijn der volken (v. 35), onder welke zij verstrooid zijn (v. 34). De Syrische woestijn tusschen de landen aan den Euphraat en Chanaan staat hierbij den profeet wel voor den geest, doch eigenlijk is de ballingschap bedoeld; en deze heet hier de woestijn (vgL Os. H_14). omdat iets dergelijks met de ballingen

Sluiten