Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

37. Et subjiciam vos sceptro meo, et inducam vos in vinculis fcederis.

38. Et eligam de vobis transgressores, et impios, et de terra incolatns eorum educam eos, et in terram Israël non ingredientur: et seietis quia ego Dominus.

39. Et vos domus Israël: Haec dicit Dominus Deus: Singuli post idola vestra ambulate, et servite eis. Quod si et in hoe non audieritis me, et nomen meum sanctum pollueritis ultra in muneribus vestris, et in idolis vestris:

40. Dt monte saneto meo, in monte excelso Israël, ait Dominus Deus, ibi serviet mihi omnis domus Israël: omnes inquam, in terra, in qua placebunt mihi, et ibi quaeram primitias vestras, et initium decimarum vestrarum in omnibus sanctificationibus vestris.

zal geschieden, als geschied is met hunne vaderen in de woestijn van het land Egypte, d. i. in de aan Egypte grenzende woestijn van het Sinaïtische schiereiland. Gelijk God met hunne vaderen aldaar gericht heeft gehouden van aangezicht tot aangezicht (vgl. Exod. XXXIII 11), d. i. duidelijk en van nabij zijne macht in strafgerichten geopenbaard heeft (zie Num. XIV 10; XVI 19), en hierdoor de getrouwen en de boetvaardigen heeft afgezonderd, doch het weerspannige geslacht heeft doen omkomen, zoo doet Hij ook thans in de woestijn der ballingschap (v. 37 en 38).

*•) Hebr.: «En Ik zal u onder den staf doen doorgaan» (zie Lev. XXVII 32), gelijk een herder zijne schapen tellend (vgl. Jer. XXXIII 13), en u brengen enz., d. i. het verbond van Sinaï, waarvan gij u hebt losgemaakt, weder met u aanbinden en vernieuwen; vgl. Jer. XXXI 32; Os. II 18. Septuag. : «en u (in het land) binnenleiden in getal», d. i. slechts weinige getelden, te weten de getrouwen en boetvaardigen. Wat echter met de halsstarrig onwilligen zal geschieden, volgt in v. 38.

37. En Ik zal u onderwerpen aan mijnen schepter en u brengen in de banden des verbonds8*).

38. En Ik zal van u afzonderen de overtreders en de goddeloozen, en uit het land hunner vreemdelingschap zal Ik hen wegvoeren, en in het land van Israël zullen zij niet binnentreden; en gij zult weten, dat lk de Heer ben88).

39. En gij, huis van Israël, dit zegt de Heere God: Wandelt een iegelijk uwe afgoden achterna en dient hen36)! Bijaldien gij echter ook hierin niet luistert naar Mij en gij mijnen heiligen naam verder onteert door uwe offergaven en door uwe afgoden37) —

40. op mijn heiligen berg, op den verheven berg van Israël, zegt de Heere God, aldaar zal het geheele huis van Israël Mij dienen, allen, ja, in het land, waarin zij Mij welgevallig zullen zijn; en aldaar zal Ik uwe eerstelingen begeeren en het eerste uwer tienden bij al uwe gewijde gaven38).

S5) God zal de halsstarrigen uit het land hunner vreemdelingschap wegvoeren en doen omkomen in de verschillende landen, waarin Hij hen zal verstrooien. Zij zullen gelijk zijn aan het weerspannige geslacht, dat, uit Egypte geleid, in de woestijn omkwam, zonder in het land van Israël binnen te treden.

3e) De zin is in verband met het volgende, vooral in v. 40: Blijft halsstarrig de afgoden vereeren. — Eenmaal zal het ware Israël Mij een welgevalligen eeredienst brengen. — In plaats van deze rhetorische toelating, waaruit Gods verontwaardiging spreekt, heeft de Septuag.: «Een iegelijk neme zijne uitvindselen (Hebr.: «zijne drekgoden») weg».

s') Naar het Hebr., waarmede de Septuag. ongeveerovereen8temt: «daarna echter — zekerlijk zult gij naar Mij luisteren, en mijn heiligen naam zult gij niet meer onteeren» enz. Hoe deze omkeer ten goede geschieden zal, wordt verklaard in v. 40.

") De heilige berg en de verheven berg van Israël is, gelijk XVII 23 en Is. XI 9, de tempelberg Sion, het geestelijke middelpunt des lands, waarin

Sluiten