Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hic in cunctis ducibus Israël, qui fugerant: gladio traditi sunt cum populo meo, idcirco plande super femur,

13. Quia probatus est: et hoe, cum sceptrum subverterit, et non erit, dicit Dominus Deus.

14. Tu ergo fili hominis propheta, et percute manu ad manum, et duplicetur gladius, ac triplicetur gladius interfectorum: hic est gladius occisionis magnas, qui obstupescere eos facit,

15. Et corde tabescere, et multiplicat ruinas. In omnibus portis eorum dedi conturbationum gladii acuti, et limati ad fulgendum, amicti ad caedem.

16. Exacuere, vade ad dexteram, sive ad sinistram, quocumque faciei tuae est appetitus.

17. Quin et ego plaudam manu ad manum et implebo indignationem meam: ego Dominus locutus sum.

18. Et factus est sermo Domini ad me, dicens:

19. Et tu fili hominis pone tibi duas vias, ut veniat gladius regis

volk, dit over al de vorsten van Israël, die gevlucht waren; aan het zwaard zijn zij overgeleverd met mijn volk; daarom sla op de heup10)!

13. Want het is beproefd bevonden; en als het den schepter heeft omgekeerd, zal deze ook niet meer zijn, zegt de Heere God11).

14. Gij dan, menschenzoon, profeteer en sla hand tegen hand12); en verdubbele zich het zwaard, en verdriedubbele zich het zwaard der verslagenen; het is het zwaard der groote slachting, dat hen doet verstommen

15. en verdorren van harte en tal van slachtoffers maakt13). Aan al hunne poorten breng De verbijstering voor het zwaard, dat gescherpt is en geslepen om te bliksemen, aangegord is ter slachting.

16. Scherp u, ga naar rechts of naar links, werwaarts uw aangezicht lust beeft11).

17. Ja, ook Ik zal hand tegen hand slaan15), en Dx zal mijne verbolgenheid volvoeren; Ik, de Heer, heb gesproken!

18. En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende16).

19. En gij, menschenzoon, maak u twee wegen, waarlangs het zwaard

*•) Die gevlucht waren (vgl. Jer. XXXIX 4—6) staat niet in het Hebr. noch in de commentaar van den H. Hiëronymus. Sla op de heup van ontzetting en smart; vgl. Jer. XXXI 19.

") Het zwaard in de hand van den koning der Chaldeën is beproefd bevonden om het reeds aangerichte bloedbad ; het zal nu zijne verdervende kracht toonen door den schepter van Juda om te keeren en in Sedecias aan het tijk een einde te maken. In het Hebr. staan dezelfde duistere woorden als in v. 10b.

x>) Van verbazing en smart.

u) Het zwaard moet zich verdriedubbelen om van alle zijden rondom Jerusalem te kunnen bliksemen en een vreeselijk bloedbad aan te richten, zoodat het zwaard der groote slachting

(Hebr.) «hen omsingelt, opdat het hart versmelte» enz.

") Het aangezicht beteekent, gelijk elders, den mond van het zwaard, zijne snede, den hier aan weerszijden gescherpten kant.

") Om den vijand aan te vuren.

") Eene nog duidelijker aankondiging der komst van Nabuchodonosor. De Ammonieten, de vroegere bondgenooten van Chaldea tegen Juda (TV Reg. XXIV 2), waren thans met Juda in opstand tegen Chaldea (vgl. Jer. XXVII 3). Te Jerusalem hoopte men, dat het ter wrake uitgetrokken leger der Chaldeën zich eerst tegen Ammon zou wenden, zoodat men in Jerusalem zich kon uitrusten en de hulp van Egypte inroepen. Tegen deze ijdele hoop profeteert Ezechiël (v. 19—24).

Sluiten