Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Babylonis: de terra una egredientur ambae: et manu capiet conjecturam, in capite vias civitatis conjiciet.

20. Viam pones ut veniat gladius ad Rabbath filiorum Ammon, et ad Judam in Jerusalem munitissimam.

21. Stetit enim rex Babylonis in bivio, in capite duarum viarum, divinationem quasrens, commiscens sagittas: interrogavit idola, exta consuluit.

22. Ad dexteram ejus facta est divinatio super Jerusalem ut ponat arietes, ut aperiat os in caede, ut elevet vocem in ululatu, ut ponat arietes contra portas, ut comportet aggerem, ut aedificet munitiones.

23. Eritque quasi consulens f rustra oraculum in oculis eorum, et sabbatorum otium imitans: ipse autem recordabitur iniquitatis ad capiendum.

des konings van Babyion kan komen; uit één land zullen beide uitgaan17); en met de hand zal hij net lot trekken, aan den ingang van den weg naar de stad zal bij het lot werpen18).

20. Maak eenen weg, waarlangs het zwaard kan komen, naar Rabbath der kinderen van Ammon19), en naar Juda, naar het allersterkste Jerusalem.

21. Want de koning van Babyion heeft zich gesteld20) aan den tweesprong, aan den ingang der twee wegen, wichelarij oefenend, de pijlen schuddend; hij heeft de afgoden ondervraagd, de ingewanden geraadpleegd21).

22. In zijne rechterhand22) heeft de wichelarij beslist voor Jerusalem, om er stormrammen op te richten, om den mond te openen ter slachting28), om de stem te verheffen bij krijgsgeschreeuw, om stormrammen op te richten tegen de poorten, om eenen wal op te werpen, om schansen te bouwen.

23. En het zal zijn voor hunne oogen alsof hij vergeefs de godspraak raadpleegt en alsof hij de rust der sabbatten navolgt; hij echter, hij zal de ongerechtigheid indachtig zijn om te veroveren2*).

") Teeken u twee wegen, die van Babyion uitgaan en, zich splitsend, de eene naar Jerusalem de andere naar de hoofdstad van Ammon leiden.

") De koning van Babyion zal het lot werpen of door middel der wichelarij beslissen, welken der twee wegen hij moet volgen. Dit zal hij doen aan den ingang van den weg of «aan den tweesprong» (v. 21), waar de ééne weg zich in tweeën splitst. In het Hebr. en de Septuag. schijnt hier sprake te zijn van eene hand, die de profeet, tot een wegwijzer aan den tweesprong, op zijne teekening moet (Hebr.) «uitsnijden» of «ingriffelen». Vgl. IV 1 volg.

lê) Zie Jer. XLIX noot 3.

*°) Een profetisch verleden: hij zal dit weldra doen.

") Door deze middelen pleegden de Chaldeën wichelarij. De te voren gemerkte pijlen schudde men in den pijl¬

koker, en de pijl, welken men er uittrok, bepaalde den weg, die moest worden ingeslagen. Voor de afgoden heeft het Hebr.: «de terafim», d. i. de huisgoden (zie Gen. XXXI noot 5), die veelal gebruikt werden om de toekomst uit te vorschen; zie Judic. XVII 5; Os. UI 4; Zach. X 2. Het raadplegen van de ingewanden, Hebr.: «delever», der geofferde dieren was in de oudheid veel verbreid. God liet de bijgeloovige handeling der Chaldeën dienen tot voltrekking van zijn raadsbesluit over Jerusalem.

**) Waarmede hij den beslissenden pijl uit den koker neemt.

'*) Septuag.: «bij luid geschreeuw». Zie verder IV 2.

M) De profeet wijst op de valsche gerustheiu der Jerusalem mers, die niet kunnen gelooven, dat hunne stad het ' eerst zal belegerd en ingenomen wor

Sluiten