Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28. Et tu fili hominis propheta, et die: Hasc dicit Dominos Deus ad filios Ammon, et ad opprobrium eorum, et dices: Mucro, mucroevaginate ad occidendum, limate ut interficias, et fulgeas,

29. Cum tibi viderentur vana, et divinarentur mendacia: ut dar er is super colla vulner atorum impiorum, quorum venit dies in tempore iniquitatis praefinita.

30. Revertere ad vaginam tuam in loco, in quo creatus es, in terra nativitatis tuae judicabo te,

31. Et effundam super te indignationem meam: in igne furoris mei suf f labo in te, daboque te in manus bominum insipientium, et fabricantium interitum.

32. Igni eris cibns, sanguis tuus erit in medio terrae, oblivioni trader is: quia ego Dominus locutus sum.

maal: «tot ommekeer») zal God haar, d. i. de kroon, maken, m. a. w. God zal hare ongerechtigheid en trouweloosheid aan den dag brengen door den val van Sedecias; en dit, wat de kroon beteekent, het rijk en het koningschap van Juda, (Hebr.) «tot niet wordt het». Hetzelfde drukt de Vulgaat uit in het profetisch verleden: is niet geworden, d. w. z. het zal niet meer worden hersteld, totdat hij komt, wien het recht op den troon van David, volgens de aloude profetieën (zie Gen. XLIX 10 met noot 15; II Reg. VII 14 volg., Is. XI 4; Jer. XXIII 5; XXXIII 15; Ps. II, LXXI, CIX enz.), toebehoort; en aan hem, den Messias, zal Ik den troon van David, zijnen vader (Luc. I 32), geven. Duidelijker heeft de Septuag.: «wee over haar (de kroon)! Zoodanig zal zij zijn, totdat degene komt, wien het toebehoort» enz. De profeet voorspelt, dat na Sedecias niemand uit het geslacht van David op zijnen troon zal zetelen, totdat de Christus, de zoon van David, komen zal om over het Rijk Gods in geeste-

28. En gij, menschenzoon, profeteer en zeg: Dit zegt de Heere God aangaande de kinderen van Ammon en aangaande hunnen smaad29); en zeg: Zwaard, zwaard, ontbloot om te dooden, gewet om te moorden en te bliksemen30),

29. terwijl men voor u ijdele dingen ziet en leugens voorspelt: dat men u zal leggen op de halzen der gewonde goddeloozen, wier dag gekomen is, ten tijde der ongerechtigheid voorbeschikt31)!

30. Keer terug in uwe scheede! In het oord, waar gij geschapen zijt, in het land uwer geboorte zal Ik u richten32).

31. En Ik zal over u mijne verbolgenheid uitstorten, met het vuur mijner gramschap zal lk blazen op u en u overgeven in de handen van onzinnige menschen33) en van hen, die verderf smeden.

32. Het vuur zult gij tot spijs zijn, uw bloed zal zijn in het midden des lands31), aan de vergetelheid zult gij worden prijsgegeven; want Dx, de Heer, heb gesproken!

lijken zin te gebieden.

™) Aangaande den smaad, dien Ammon Juda heeft aangedaan; vgl. Soph. II 8. Zie verder XXV 3 volg.

*') Het woord is gericht tot het zwaard van Ammon, dat ontbloot en gewet was tegen de Chaldeën; zie v. 30 en vgl. v. 9 en 10.

") Naar de Ammonietische waarzeggers was het zwaard van Ammon bestemd om Gods strafgericht te voltrekken aan de goddelooze Chaldeën. Zie verder noot 26 ook voor het Hebr.

") In het Hebr. is het woord tot Ammon gericht: «Steek het (zwaard) weder in zijne scheede»! Want Ammon zal niet ten krijg uittrekken, doch in zijn eigen land Gods strafgericht ondergaan.

") Septuag.: «van barbaren».

") In uw eigen land zal uw bloed vergoten worden; en dit zal in het midden des lands bedekt zijn en niet op den blooten grond om wraak ten hemel roepen; zie XXIV 7.

Sluiten