Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

compone quoque strues ossium sub ea: ef f erbuit coctio ejus, et discocta sunt ossa illius in medio ejus.

6. Propterea haec dicit Dominus Deus: Vae civitati sanguinum, ollae, cujus rubigo in ea est, et rubigo ejus non exivit de ea: per partes et per partes suas ejice eam, non cecidit super eam sors.

7. Sanguis enim ejus in medio ejus est, super limpidissimam petram effudit illum: non effudit illum super terram ut possit operiri pulver e.

8. Ut superinducerem indignationem meam, et vindicta ulciscerer: dedi sanguinem ejus super petram Umpidissimam ne operiretur.

9. Propterea hasc dicit Dominus Deus: Vae civitati sanguinum, cujus ego grandem faciam pyram. Nah. III1; Habac. II12.

10. Congere ossa, quae igne succendam: consumentur carnes, et coquetur universa compositio, et ossa tabescent.

11. Pone quoque eam super prunas vacuam, ut incalescat, et lique-

leg ook een stapel van beenderen daaronder'); ziedend heet werd zij n kooksel, ook zijne beenderen werden daarin gaar gekookt.

6. Daarom zegt dit de Heere God: Wee de stad des bloeds, den ketel, waar roest aan kleeft en welks roest er niet is afgegaan! Werp stuk voor stuk er uit; het lot is er niet op gevallen6)!

7. Want haar bloed is in haar midden, op een geheel naakte rots heeft zij het vergoten; zij heeft het niet vergoten op de aarde, zoodat het bedekt kan worden met stof7).

8. Om mijne verbolgenheid over haar te brengen en strenge wraak te oefenen, heb Ik haar bloed op een geheel naakte rots doen komen, opdat het niet bedekt zou worden.

9. Daarom zegt dit de Heere God: Wee de stad des bloeds, voor wie Dx den brandstapel groot zal maken!

10. Stapel de beenderen3) opeen, waaronder Ik het vuur zal stoken: het vleesch worde verteerd en geheel het kooksel ziede en dat de beenderen vergaan!

11. Zet hem ook ledig op de kolen, opdat hij heet worde, en zijn koper

*) Met een geringe tekstverandering vertaalt men het Hebr.: «een brandstapel van hout»; zie op v. 10.

") De ketel is van binnen vol roest, die er bij hst koken niet afgaat.' Het vleesch moet er stuk voor stuk uitgenomen worden. Dit beteekent, dat de stad des bloeds (zie XXII2) hare bloedschulden door de belegering alleen niet heeft afgeboet en dat hare bewoners, die tot het laatst toe (zie Jer. XXXVII volg.) halsstarrig bleven, uit de stad in ballingschap zullen gezonden worden. Het lot is niet op de door den ketel beteekende stad gevallen, eene aan de landsverdeeling onder Josue (vgl. Jos. XVI 1; XVII 1) ontleende zegswijze, om uit te drukken, dat de stad, als het ware zonder eigenaar en zonder verdediger, een weerlooze buit der overwinnaars zal zijn; zie XI 9 volg. Volgens den H. Hiëronymus e. a.: het lot

is niet op de stukken vleesch gevallen, om het eene stuk vóór het andere er uit te nemen, m. a. w. alle bewoners zonder onderscheid worden uit de stad weggevoerd.

') De uitdrukking beteekent, naar Job XVI 19, dat het openlijk en onbeschaamd vergoten bloed, bloot en ongedekt, als het ware aan eene naakte rots klevend gelijk roest aan den ketel, om wraak ten hemel roept (vgl. XXI 32 en Is. XXVI 21). Naar v. 8 heeft God dit zóó beschikt, opdat Hij te zijnen tijde geduchte wraak over die ongewroken en onbeschaamde bloedschuld zou nemen.

8) Hebr.: «het hout», en verder: «steek het vuur aan, maak het vleesch gaar en laat het kooksel zieden en de beenderen gaar koken». Een beeld van de ontzettende rampen der belegering.

Sluiten