Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fiat aas ejus: et confletur in medio ejus inquinamentum ejus, et consumatur rubigo ejus:

12. Multo labore sudatum est, et non exivit de ea nimia rubigo ejus, neque per ignem.

13. Immunditia tua exsecrabilis: quia mundare te volui, et non es mundata a sordibus tuis: sed nee mundaberis prius, donec quiescere faciam indignatfonem meam in te.

14. Ego Dominus locutus sum: Veniet, et faciam: non transeam, nee parcam, nee placabor: juxta vias tuas, et juxta adinventiones tuas judicabo te, dicit Dominus.

15. Et factum est verbum Domini ad me, dicens:

16. Fili hominis, ecce ego tollo a te desiderabile oculorum tuorum in plaga: et non planges, neque plorabis, neque fluent lacrymae tuae.

17. Ingemisce tacens, mortuorum luctum non facies: corona tua circumligata sit tibi, et calceamenta tua erunt in pedibus tuis, nee amictu ora velabis, nee cibos lugentium comedes.

18. Locutus sum ergo ad populum mane, et mor tua est uxor mea ve-

9) Dit beteekent, dat de van hare I inwoners verlaten stad aan het vuur zal worden prijsgegeven. Het is de laatste maatregel, waartoe God zich, ter reiniging der stad, genoodzaakt zag, omdat naar v. 12 volg. geen enkel ander door God beproefd middel baatte.

*•) Door het krijgsvuur bij vroegere strafgerichten.

") Door het eindgericht over Jerusalem.

") Hebr.: «naar uwe werken». De Septuag. voegt er aan het einde bij: «Daarom zal lk u richten naar uwe bloedschulden, en naar uwe drekgoden zal Ik u richten, o onreine, befaamde en machtige in het verbitteren». Vgl. XXII 6.

gloeie, en zijne onreinheid wegsmelte in zijn midden, en zijn roest worde verteerd9)!

12. Met veel arbeid heeft men gezwoegd, en zijn al te erge roest is er met afgegaan, zelfs niet door het vuur10).

13. Uwe onreinheid is afschuwelijk ; want He wilde u reinigen, en gij werdt niet gereinigd van uwe smetten; maar gij zult ook niet eerder gereinigd worden, voordat Dx mijne verbolgenheid op n doe rusten11).

14. Dx, de Heer, heb gesproken; het zal komen, en Dx zal het doen; Dx zal niet voorbijgaan noch sparen noch verzoenbaar zijn; naar uwe wegen en naar uwe uitvindselen1-') zal Ik u richten, zegt de Heer.

15. En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende18):

16. Menschenzoon, zie, Dx neem van u weg den lust uwer oogen door eenen slag14); en gij moogt niet rouwklagen noch weenen, en uwe tranen mogen niet vloeien.

17. Zucht in stilte! Doodenrouw moogt gij niet bedrijven1*); omwind u met uw hoofdhulsel en doe uwe schoenen aan uwe voeten, en gij zult uwen mond niet bedekken met het kleed en de spijzen der treurenden niet eten16)!

18. Des morgens nu sprak ik tot het volk17), en des avonds stierf

l ") Waarschijnlijk op denzelfden dag I als in v. 1.

") d. i. Uwe vrouw (zie v. 18), die gij innig liefhebt, zal plotseling sterven.

u) Van het luidruchtige en omslachtige rouwmisbaar moet hij zich onthouden en in het openbaar zich gedragen, alsof hij geene doode te betreuren had.

") In rouw ging men blootshoofds en barrevoets en bedekte men zich den mond. De spijzen der treurenden, Hebr. «der lieden», d. i. dergenen, die aan de naaste bloedverwanten van den overledene spijzen zonden om hunne deelneming te betuigen; zie Jer. XVI noot 6.

") Wat God mq in v. 16 en 17 geopenbaard en gelast had.

Sluiten