Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26. In aquis multis adduxerunt te remiges tui: ventus auster contrivit te in corde maris.

27. Divitiae tuae, et thesauri tui, et multiplex instrumenten tuum, nautas tui et gubernatores tui, qui tenebant supellectilem tuam, et populo tuo praeerant: viri quoque bellatores tui, qui erant in te cum universa multitudine tua, quae est in medio tui: cadent in corde maris in die ruinae tuae.

28. A sonitu clamoris gubernatorum tuorum conturbabuntur classes:

29. Et descendent de navibus suis omnes, qui tenebant remum: nautae, et universi gubernatores maris in terra stabunt:

30. Et ejulabunt super te voce magna, et clamabunt amare: et superjacient pulverem capitibus suis, et cinere conspergentur.

31. Et radent super te calvitium, et accingentur ciliciis: et plorabunt te in amaritudine animas ploratu amarissimo.

32. Et assument super te carmen lugubre, et plangent te: Quas est ut Tyrus, quas obmutuit in medio maris?

33. Quae in exitu negotiationum tuarum de mari implesti populos muitos: in multitudine divitiarum tuarum, et populorum tuorum ditasti reges terrae.

34. Nunc contrita es a mari, in profundis aquarum opes tuae, et

**) Het beeld van het zeeschip komt hier weder op den voorgrond. Op de vele wateren, d. i. op den grooten oceaan; dit wijst wellicht op de heillooze staatkunde van Tyrus. De zuidenwind, Hebr.: «de oostenwind», de vooral op zee gevreesde oosterstorm, is een beeld van den Chaldeeuwschen veroveraar, XXVI 7.

*') Hebr.: «die uwen handel dreven».

26. Op de vele wateren voerden u uwe roeiers; de zuidenwind heeft u verbrijzeld in het hart der zee28).

27. Uwe rijkdommen en uwe schatten en uw velerlei tuig, uwe zeelieden en uwe stuurlieden, die voor uw scheepswant zorgden en aan het hoofd van uw volk stonden29), alsmede uwe krijgslieden, die in u waren, met geheel uwe volksmenigte in uw midden — zij vallen in net hart der zee ten dage van uwen ondergang.

28. van het luid geschrei uwer stuurlieden ontstellen de vloten80).

29. En allen, die den riem hielden, verlaten hunne schepen; de zeelieden en alle zeevaarders staan op het land81).

30. En zij jammeren over u met luider stem en schreien bitter; en zij werpen stof op hunne hoofden en bestrooien zich met asch.

31. En zij scheren zich kaal wegens u en gorden rouwkleederen aan; en zij weenen over u in de bitterheid der ziel met allerbitterst geween.

32. En zij heffen over u een klaaglied aan32) en weeklagen over u: Wie is er als Tyrus, dat verstomd is in het midden der zee?

33. Oij, die bij het aankomen uwer koopmanschappen uit de zee vele volken hebt verzadigd, die met de menigte uwer rijkdommen en uwer volken88) de koningen der aarde hebt rijk gemaakt!

34. Nu zijt gij verbrijzeld uit de zee81); in de diepten der wateren

80) De overige handelsvolken; zie XXVI 15.

sl) Uit vrees voor een zelfden ondergang; zie XXVI 16. . •*) Zie XXVI 17.

•*) Hebr.: «en uwer koopmanschappen».

M) Uit de zee verdwenen en in hare golven begraven.

Sluiten