Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19. Omnes, qui viderint te in gentibus, obstupescent super te: nihili factus es, et non er is in perpetuum.

20. Et factus est sermo Domini ad me, dicens:

21. Fiii hominis pone faciem tuam contra Sidonem: et prophetabis de ea,

22. Et dices: Hasc dicit Dominus Deus: Ecce ego ad te Sidon, et glorificabor in medio tui: et scient qui ego Dominus, cum fecero in ea judicia, et sanctificatus fuero in ea.

23. Et immittam ei pestilentiam, et sanguinem in plateis ejus: et corruent interfecti in medio ejus gladio per circuitum: et scient quia ego Dominus.

24. Et non erit ultra domui Israël offendiculum amaritudinis, et spina dolorem inferens undique per circuitum eorum, qui adversantur eis: et scient quia ego Dominus Deus.

") Hoewel de profeet hier spreekt i over den val van den koning van Tyrus, steunt toch zijne beeldspraak op de overlevering betreffende den yal der engelen. Zij toch waren in hunne oorspronkelijke, heiligheid het volmaaktste evenbeeld van God (v. 12), die hen in het paradijs des hemels geplaatst en met de schoonste gaven versierd had (v. 13). Doch om hunnen hoogmoed (v. 17), omdat zij aan God gelijk wilden zijn (v. 2, 6), werden zij door God verworpen en uit den hemel gebannen (v. 16, 17), om voor immer door het helsche vuur te worden verteerd (v. 18).

") Sidon, de beroemde handelsstad, ten noorden van Tyrus, op de smalle strook tusschen den Libanon en de Middellandsche Zee gelegen (vgl. Gen. X 15), stond oorspronkelijk aan het hoofd der Phenicische bondsstaten. Ten tijde van Salomon (vgl. III Reg. V 6) en later was het door Tyrus overvleugeld (vgl. XXVII 8). Op het einde der achtste eeuw werd Tyrus door Sennacherib vernederd én Sidon tot een van

19. Allen, die u gezien hebben onder de volken, staan verstomd over u; tot niets zijt gij geworden, en gij zult niet meer zijn in eeuwigheid14).

20. En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende:

21. Menschenzoon, richt uw aangezicht tegen Sidon15) en profeteer aangaande hetzelve,

22. en zeg: Dit zegt de Heere God: Zie, Ik tegen u, Sidon, en Ik zal Mij verheerlijken in het midden van u; en zij zullen weten, dat Ik de Heer ben, wanneer Ik aan hetzelve

' gerichten gehouden en Mij aan hetzelve geheiligdï'heb16).

23. En Ik zal daarin de pest zenden en bloed in zijne straten; en in zijn midden zullen verslagenen neerstorten door het zwaard in het

! rond; en zij zullen weten, dat Ik de Heer ben.

24. En er zal voor het huis van Israël geen aanstoot van bitterheid meer zijn en geen doorn, die van alle zijden smart veroorzaakt rondom degenen, die hun vijandig zijn17); en zij zullen weten, dat Ik de Heere God ben.

i Assur afhankelijk koninkrijk verheven. Afvallig geworden, werd het in 679 v. Chr. door Asarhaddon ingenomen en verdelgd. Wederom opgebouwd, had het ten tijde van Jeremias zijn eigen koningen en een zekere zelfstandigheid (zie Jer. XXV 22 en XXVII 3). Nadat Nabuchodonosor Phenicië had onderworpen, kwam Sidon, onder de heerschappij eerst der Chaldeën en vervolgens der Perzen, aan het hoofd der Phenicische steden (vgl. I Esdr. III 7; Herod. VIII 67); in 351 v. Chr. werd het door Artaxerxes HI om zijnen opstand zwaar getuchtigd en ten onder gebracht.

ie) Mij verheerlijken door machtige daden (zie Exod. XIV 4), te weten door strafgerichten, waardoor Ik Mij heiligen zal, d. i. Mij als den hater der zonde zal openbaren.

") Geen aanstoot, die bittere smart veroorzaakt. Hebr.: «er zal.... geen wondende doorn of pijnlijke distel meer zijn onder allen, die rondom hen zijn, die hen verachten». Hiermede zijn de

Sluiten