Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Loquere, et dices: Hasc dicit Dominus Deus: Ecce ego ad te Pharao rex JSgypti, draco magne, qui cubas in medio fluminum tuorum, et dicis: Meus est fluvius, et ego feci memetipsum.

4. Et ponam frenum in maxillis tuis: et agglutinabo pisces fluminum tuorum squamis tuis: et extraham te de medio fluminum tuorum, et universi pisces tui squamis tuis aidhaerebunt.

5. Et projiciam te in desertum, et omnes pisces fluminis tui: super faciem terras cades, non colligeris, neque congregaberis: bestiis terras, et volatilibus cceli dedi te ad devorandum.

6*. Et scient omnes habitatores iEgypti quia ego Dominus: pro eo quod fuisti baculus arundineus domui Israël. Is. XXXVI 6.

7. Quando apprehenderunt te manu, et confractus es, et lacerasti omnem humerum eorum: et innitentibus eis super te, comminutus es, et dissol vis ti omnes ren es eorum.

8. Propterea hasc dicit Dominus Deus: Ecce ego adducam super te gladium: et interficiam de te hominem, et jumentum.

3. Spreek en zeg: Dit zegt de Heere God: Zie, Ik tegen u, Pharao, koning van Egypte, groote draak, die legert in het midden uwer stroomen en zegt: Mijn is de rivier, en ik heb mij zeiven gemaakt*)!

4. En Ik zal eenen toom3) leggen tusschen uwe kaken en de visschen uwer stroomen doen vastkleven aan uwe schubben; en Dc zal u ophalen uit het midden uwer stroomen, en al uwe visschen zullen aan uwe schubben blijven hangen4).

5. En Ik zal u in de woestijn wegwerpen met al de visschen van uwen stroom; op de oppervlakte der aarde zult gij vallen, men zal u niet oprapen noch verzamelen; aan de wilde dieren der aarde en aan de vogelen des hemels heb Ik u gegeven ter verslinding.

6. En al de bewoners van Egypte zullen weten, dat Ik de Heer ben; dewijl gij een rieten stok geweest zijt voor het huis van Israël5).

7. Wanneer zij u in de hand namen, dan braakt gij en scheurdet gij geheel hunnen schouder6); en leunden zij op u, dan vielt gij in stukken en deedt gij al hunne lendenen waggelen.

8. Daarom zegt dit de Heere God: Zie, lk zal over u het zwaard brengen; en Ik zal van u uitroeien mensch en vee!

') De Nijl wordt als de bron van Egypte's vruchtbaarheid met het vruchtbare Egypte vereenzelvigd; de op zijne macht en zijnen rijkdom trotsche Pharao is als de groote draak, d. i. de krokodil, het heilige dier, dat in de stroomen, d. i. in den Nijl met zijne armen en kanalen, legert. In dwazen overmoed zich vergodend, zegt hij: Mijn is de rivier en (Hebr.) «ik heb (haar) voor mij gemaakt», m. a. w. ik heb dat vruchtbare water door armen, kanalen en waterbekkens (zie Exod. VII noot 8) over het land verdeeld. — De Pharao werd, als de zoon van de godheid Ra, zelf voor eene godheid gehouden; als zoodanig wordt hij op '

de Egyptische monumenten voorgesteld.

3) Hebr.: «eenen haak»; zie XIX 4.

4) M. a. w. de Pharao zal met zijn volk omkomen.

') Een rieten stok, een passend beeld voor het aan riet vruchtbare Egypte, beteekent de hulp, die dit laatste rijk aan Juda beloofde. Die hulp echter was ijdel, bedrieglijk en voor Juda verderfelijk, gelijk het volg. vers aantoont. Dit zou de Heer, de God van Israël, op Egypte wreken, v. 8.

*) Septuag.: «geheel de hand». Zie IV Reg. XXIV 7; Jer. XXXVII 4—8; Ez. XVII 15—21.

Sluiten