Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25. Et confortabo brachia regis Babylonis, et brachia Pharaonis concident: et scient quia ego Dominus, cum dedero gladium meum in manu regis Babylonis, et extenderit eum super terram .Egypti.

26. Et dispergam -Egyptum in nationes, et ventilabo eos in terras, et scient quia ego Dominus.

25. En de armen van den koning van Babyion zal Dx versterken, en de armen van Pharao zullen neerzinken; en zij zullen weten, dat Ik de Heer ben, wanneer Dx mijn zwaard geef in de hand van den koning van Babyion en bij het trekt tegen het land Egypte.

26. En Egypte zal Dx verstrooien onder de volken en hen wannen over de landen; en zij zullen weten, dat Dx de Heer ben.

CAPUT XXXI.

HOOFDSTUK XXXI.

Eaypte spiegele zich aan Assur, dat hoog als een ceder was verheven (v. 1-9), ¥ doch diep is gevallen (v. 10—18).

1. Et factum est in anno undecimo, tertio mense, una mensis, factum est verbum Domini ad me, dicens:

2. Fili hominis die Pharaoni regi .Egypti, et populo ejus: Cui similis factus es in magnitudine tua?

3. Ecce Assur quasi cedrus in Libano, pnlcher ramis, et frondibus nemorosus, excelsusque altitudine, et inter condensas frondes elevatum est eacumen ejus.

4. Aquas nutrierunt illum, abyssus exaltavit illum: flumina ejus manabant in circuitu radicum ejus, et rivös suos emisit ad universa ligna regionis.

kermen voor het aangezicht van den overwinnaar, gelijk een doodelnk gewonde kermt. Vgl. XXVIII 9. In het tweede halfvers heeft de Septuag.: «en hij (de koning van Babyion) zal het (zwaard) brengen over Egypte; en lm zal deszelfs buit plunderen en deszelfs roofgoed rooven»; zie XXIX l».

J) Bijna twee maanden na XXX 20, weinige weken vóór den val van Jeru-

Sa»)mDe hooge en krachtige ceder, de trots van den Libanon (zie XVll ó)

1. En het gebeurde in het elfde jaar, in de derde maand, den eersten der maand1), dat het woord des Heeren tot mij geschiedde, zeggende:

2. Menschenzoon, zeg tot Pharao, den koning van Egypte, en tot zijn volk: Wien zijt gij gelijk geworden in uwe grootheid?

3. Zie, Assur was als een ceder op den Libanon*), schoon van takken en dicht van gebladerte en hoog van stam, en tusschen dicht loover3) verhief zich zijne kruin.

4. Wateren voedden hem, de kolk maakte hem hoog; hare stroomen vloeiden rondom zijne wortels, en hare beken zond zij naar al de boomen des velds4).

beteekent het wereldrijk (vgl. Dan. IV 17 volg.) van Assur, dat, hoe oud en machtig ook, ten val was gekomen. De toepassing der vergelijking op Egypte, in v. 2 voorbereid, wordt aan het einde van v. 18 aangeduid.

*) Hebr. en Septuag.: «tusschen do wolken». ,.

4) De kolk of de groote en diepe waterplas en de wateren, die den ceder besproeiden, wijzen op den Tigris met zijne armen en beteekenen den rijkdom van Assur, waarvan ook de onderworpen volken (de overige boomen des velds) genoten.

Sluiten