Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT XXXII. HOOFDSTUK XXXII.

Klaagzang over Pharao: het gevangen zeemonster wordt de prooi der wilde dieren (v. 1—6); indruk van dü godsgericht (v. 7—16). Pharao met njn volk in de onderwereld afgedaald (v. 17—32).

1. Et factum est, duodecimo anno, in mense duodecimo, in una mensis, factum est verbum Domini ad me, dicens:

2. Fili hominis assume lamentum super Pharaonem regem .Egypti, et dices ad eum: Leoni gentium assimilatus es, et draconi, qui est in mari: et ventilabas cornu in fluminibus tuis, et conturbabas aquas pedibus tuis, et conculcabas flumina earum.

3. Propterea haec dicit Dominus Deus: Expandam super te rete meum in multitudine populorum multorum, et extraham te in sagena mea. Supra XII13 et XVII 20.

4. Et projiciam te in terram, super faciem agri abjiciam te: et habitare faciam super te omnia volatilia cceli, et saturabo de te bestias universa) terras.

5. Et dabo carnes tuas super montes, et implebo colles tuos sanie tua.

6. Et irrigabo terram fcetore sanguinis tui super montes, et valles implebuntur ex te.

7. Et operiam, cum exstinctus fueris, ccelum, et nigrescere faciam

») Eén jaar en negen maanden na XXXI 1; doch vele Hebr. handschriften de Syrische vertaling en de Septuag. naar den Cod. Alex. hebben: «in het elfde jaar».

') De vergelijking met een leeuw, het zinnebeeld van Egypte's macht onder de volken, wordt met verder verklaard; wel echter die met een draak, den krokodil van den Nijl; zie XXIX 3. Zijn woelen in het water beteekent het woeste optreden van Egypte, zijn krijgsgeweld enz.

1. En het gebeurde in het twaalfde jaar, in de twaalfde maand, den eersten der maand1), dat het woord des Heeren tot mij geschiedde, zeggende:

2. Menschenzoon, hef een klaaglied aan op Pharao, den koning van Egypte, en zeg tot hem: Aan een leeuw onder de volken waart gij gelijk en aan een draak in de zee; en gij woeldet met uwen hoorn in uwe stroomen en maaktet het water troebel met uwe pooten en plastet door zijne stroomen2).

3. Daarom zegt dit de Heere God: Dx zal over u mijn net uitspreiden bij eene schare van vele volken, en en lk zal u ophalen in mijn garen3).

4. En Dx zal u wegwerpen op tot land, op de oppervlakte des velds zal Dx u wegsmijten; en al het gevogelte des hemels zal Dx op u doen wonen en de wilde dieren der geheele aarde van u verzadigen1).

5. En Dx zal uw vleesch prijsgeven op de bergen en uwe heuvelen vullen met uw bedorven bloed8).

6. En Dx zal het land drenken met uw stinkend bloed op de bergen6), en de dalen zullen vol zijn van u.

7. En Dx zal, als gij wordt uitgebluscht, den hemel omhullen en zij ne

s) Hebr.: «en zij (de vele volken) zullen u» enz.

') Zie XXIX 5; XXXI 13.

') Naar de Syr. vertaling en de Grieksche van Symmachus: «met uw gewormte».

•) Hebr.; «Ik zal het land uwer overstrooming (het lage Nijldal) drenken... tot op de bergen». Niet meer het vruchtbare Nijlwater, doch uw bloed zal het Nijldal overstroomen en reiken tot op de bergen.

Sluiten