Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. Et dabo montem Seir desolatum atque desertum: et auferam de eo euntem, et redeuntem.

8. Et implebo montes ejus occisorum suorum: in collibus tuis, et in vallibus tuis, atque in torrentibus interfecti gladio cadent.

9. In solitudines sempiternas tradam te, et civitates tuas non habitabuntur: et seietis quia ego Dominus Deus.

10. Eo quod dixeris: Duas gentes, et duaa terras meas erunt, et hereditate possidebo eas: cum Dominus esset ibi:

11. Propterea vivo ego, dicit Dominus Deus, quia faciam juxta iram tuam, et secundum zelum tuum, quem fecisti odio habens eos: et notus effioiar per eos cum te judicavero.

12. Et scies quia ego Dominus audivi universa opprobria tua, quas locutus es de montibus Israël, dicens: Deserti, nobis ad devorandum dati sunt.

13. Et insurrexistis super me ore vestro, et derogastis adversum me verba vestra: ego audivi.

14. Hasc dicit Dominus Deus: Lastante universa terra, in solitudinem te redigam.

7. En Ik zal den berg Seïr éénzaam maken en woest, en Ik zal vandaar wegnemen den gaande en den terugkeerende.

8. En Ik zal; zijne bergen vullen met zijne gedooden; op uwe heuvelen en in uwe dalen en in de bergstroomen zullen verslagenen door het zwaard vallen.

9. Tot eeuwige woestenijen zal Ik u maken, en uwe steden zullen niet bewoond worden; en gijlieden zult weten, dat Ik ben de Heere God.

10. Omdat gij zeidet: De twee volken en de twee landen zullen de mijne wezen, en Ik zal ze erfelijk bezitten — hoewel de Heer daar was4);

11. daarom, zoo waar Ik leef, zegt de Heere God, voorwaar, Dc zal doen naar uwen toorn en overeenkomstig uwen ijver, dien gij betoond hebt, hen hatende; en lk zal gekend worden door hen, wanneer Ik u zal richten5).

12. En gij zult weten, dat Ik, de Heer, al uwe smaadwoorden gehoord heb, die gij gesproken hebt van de bergen van Israël, zeggende: Zij zijn verwoest, ons zijn zij ter verslinding gegeven6).

13. En gij zijt opgestaan tegen Mij met uwen mond, en gij hebt uwe woorden tegen Mij uitgebracht; Dc, Ik heb het geboord!

14. Dit zegt de Heere God: Terwijl de gansche aarde zich verheugt, zal Ik u tot woestenij maken!

onder u aanrichten, zoodat Edom wordt tot louter bloed; en daargif bloed (het in den bloede verwante Israël) gehaat hebt, zal bloed, d. i. de wraak voor het vergoten bloed, u achtervolgen. De Septuag. heeft na den aanhef (daarom, zoo waar enz.) alleen: «aan bloed hebt gij u schuldig gemaakt, ook bloed zal u achtervolgen».

4) De twee volken zijn Israël en Juda. Hoewel de Heer daar was geeft de reden aan, waarom hun aanslag op den godgewijden grond heiligschennend was.

*) God zal aan Edom vergelden naar

den toorn, dien dit volk aan Israël betoond heeft. Door die straf der wedervergelding zal Hij gekend worden als een getrouw en heilig God door hen, d. i. door de gewroken Israëlieten, of ook, gelijk het Hebr. begrepen kan worden, «onder hen», d. i. onder de Israëlieten, de getuigen van het godsgericht over Edom. De Septuag. heeft: «aan u», d. i. aan Edom zal Ik als wreker bekend worden.

*) Deze smaadwoorden vielen terug op Jehova (v. 13), omdat de bergen van Israël zijn land waren.

Sluiten