Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

IK. Sifiuti eavisus es super nere-

ditatem domus Israël, eo quod fuerit

dissipata, sic faciam tibi: dissipatus

eris mons Seir, et idumsea omnib.

et scient quia ego Dominus.

15. Gelijk gij u verblijd hebt over het erfdeel van het huis van Israël, omdat het verwoest is, alzoo zal Be doen aan u; verwoest zult gij zqn, berg Seïr en geheel Idumea; en zij zullen weten, dat Dc de Heer ben.

CAPUT XXXVI.

HOOFDSTUK XXXVI.

De beraen van Israël, door de ballingschap des volks den heidenen ten smaad Ve oergen van "™c<., ^„j^/w. ««»«».. door Israël bevolkt worden

9T 8-W God zal het om zijne zonden verworpen Israël herstellen om wille van zijnen in het oog der heidenen onteerden naam (v. 16-23). Bclchrlving der herstelling: God zal hen in hun land terugvoeren, h%n reinigen van hunne zonden en zijnen geest over hen uitstorten 7o 24—28) De zegening van volk en land tot verheerlijking van ' God (v. 29—38).

1 Tn üntAm fili hominis propheta

super montes Israël, et dices: Montes Israël audite verbum Domini:

Supra VI 3.

2. Haec dicit Dominus Deus: Eo quod dixerit inimicus de vobis: Euge, altitudines sempiternae in hereditatem data» sunt nobis:

3. Propterea vaticinare, et die: Hasc dicit Dominus Deus: Pro eo quod desolati estis, et conculcati per circuitum, et facti in hereditatem reliquis gentibus, et ascendistis super labium linguae, et opprobrium populi:

4. Propterea montes Israël audite verbum Domini Dei: Hasc dicit Dominus Deus montibus, et collibus,

') Bergen van Israël heet hier het bereland van Gods volk tegenover den berg Seïr in XXXV 2 volg.

') Vooral Edom, doch ook de overiee naburen; zie v. 5.

% De eeuwige hoogten noemen zij fnaar Gen. XLIX 26; Deut. XXXIII 15) waarschijnlijk spottend met het eeuwig verbond tusschen Israël en Jenova, het aan Gods volk toegezegde hercl'and Palestina.

«\ Alvorens het vonnis over den vijand plechtig (in v. 7) af te kondigen, "tuigt GoJ nogmaals met nadruk de

Ja Gij echter, menschenzoon, profeteer aangaande de bergen van Israël en zeg: Bergen van Israël, hoort het woord des Heeren1)!

2. Dit zegt de Heere God: Omdat de vijand2) van u gezegd heeft: Ha, de eeuwige hoogten8) zijn ten erfbezit gegeven aan ons!

3. Daarom profeteer en zeg: Dit zegt de Heere God1): Omdat gij verwoest zijt en vertreden in het rond8) en ten erfbezit geworden aan de overgebleven volken6) en gij in opspraak der tong gebracht zijt en tot een smaadrede van het volk7);

4. daarom, bergen van Israël, hoort het woord van den Heere God: Dit zegt de Heere God tot de

schuld, waarop het vonnis steunt. .

6) Het Hebr. drukt hier de gretigheid uit, waarmede dè vijanden op het land van Israël aanvielen.

•) Aan de overgebleven volken, want niet aan machtige volken was Israël's land ter prooi geworden, doch aan de overblijfselen der door de Chaldeën uitgemoorde en in ballingschap weggevoerde volksstammen in het rond.

') Zie XXXV 12, 13. Deze verachting en beschimping van Gods land viel terug op God zeiven, die het wreken zal.

Sluiten