Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. Ascendens autem quasi tempestas venies, et quasi nubes, ut operias terram tu, et omnia agmina tua, et populi multi tecum.

10. Hasc dicit Dominus Deus: In die illa ascendent sermones super cor tuum, et cogitabis cogitationem pessimam:

11. Et dices: Ascendam ad terram absque muro: veniam ad quiescentes, habitantesque secure: hi omnes habitant sine muro, vectes, et portas non sunt eis:

12. Ut diripias spolia, et invadas praedam, ut inferas manum tuam super eos, qui deserti fuerant, et postea restituti, et super populum, qui est congregatus ex gentibus, qui possidere ccepit, et esse habitator umbilici terrae.

13. Saba, et Dedan, et negotiatores Tharsis, et omnes leones ejus dicent tibi: Numquid ad sumenda spolia tu venis? ecce ad diripiendam praedam congregasti multitudinem tuam, ut tollas argentum, et aurum, et auferas supellectilem, atque substantiam, et diripias manubias infinitas.

9. En oprukkend zult gij komen als een onweder en als eene wolk7) om het land te bedekken, gij en al uwe legerscharen en vele volken met u.

10. Dit zegt de Heere God8): Te dien dage zullen woorden9) oprijzen in uw hart, en gij zult een zeer boos plan beramen;

11. en gij zult zeggen: Dc zal optrekken naar het land zonder muur10); ik zal komen naar de rustigen en naar hen, 41e veilig wonen: dezen allen wonen zonder muur, grendels noch poorten hebben zij;

12. opdat gij buit rooft en roof bemachtigt, opdat gij uwe hand legt op degenen, die verwoest zijn geweest en naderhand hersteld werden, en op een volk, dat verzameld is uit de heidenen, dat begon bezitting te verwerven en bewoner te zijn van den navel der aarde11).

13. Saba en Dedan en de kooplieden van Tharsis en al zijne leeuwen zullen tot u zeggen: Komt gij om buit te nemen? Zie, om roof te rooven hebt gij uwe menigte verzameld, om zilver en goud mede te voeren en have en goed weg te nemen en mateloozen buit te rooven12) !

om voor ons in een geheimzinnig duister gehuld. De namen Gog, Magog enz. zijn hoogstwaarschijnlijk zinnebeeldige namen, waardoor de laatste vijanden van het Rijk Gods worden aangeduid. De krijgstocht en de verwoede aanval, die hier en verder beschreven worden, schijnen eveneens tot de dichterlijke inkleeding te behooren, onder welke de laatste strijd beteekend wordt, dien de Kerk van Christus zal te voeren hebben.

') Vgl. Jer. IV 13.

*) Eene nieuwe strophe.

9) d. i. Dingen, welke Gog voornemens is te doen; zij worden in v. 11 en 12 met zijn eigen woorden beschreven.

10) d. i. Zonder bemuurde steden. Hebr.: «naar het openliggende land», een beeld van de Kerk Gods, die niet is van deze wereld en zich niet door J wapengeweld verdedigt. De Heer zelf I

is voor haar als «een ringmuur van vuur» (vgl. Zach. II 4, 5). Zie daarentegen het aardsche Israël XXXVI35.

u) d. i. Van het hoogste en middelste punt der aarde; zie V 5 en vgl. Judic. IX 37. De berg van het huis des Heeren zal dan gevestigd zijn op de kruin der bergen en het middelpunt zijn, waar alle volken heenstroomen (Is. II 2, 3) — een zinnebeeld van de ééne, algemeene Kerk met haar leerend en besturend gezag. Doch hierom haten haar hare vijanden, wier hebzucht begeerig is naar hare goederen.

") Zie voor Saba XXVII noot 24, voor Dedan XXVII noot 16, voor Tharsis XXVII noot 13. Leeuwen heeten de naar buit begeerige kooplieden, die uit alle oorden der wereld samenstroomen om den buit, dien Gog behalen zal, voor hunne waren te ruilen.

VI

47

Sluiten