Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maris, quae obstupescere faoiet praetereuntes: et sepelient ibi Gog, et omnem multitudinem ejus, et vocabitur vallis multitudinis Gog.

12. Et sepelient eos domus Israël, ut mundent terram septem mensibus.

13. Sepeliet autem eum omnis populus terrae, et erit eis nominata dies, in qua glorificatus sum, ait Dominus Deus.

14. Et viros jugiter constituent lustrantes terram, qui sepeliant, et requirant eos, qui remanserant super faciem terrae, ut emundent eam: post menses autem septem quaerere incipient.

15. Et circuibunt peragrantes terram: cumque viderint os hominis, statuent juxta illud titülum, donec sepeliant illud pollinctores in valle multitudinis Gog.

16. Nomen autem eivitatis Amona, et mundabunt terram.

17. Tu ergo fili hominis, haec dicit Dominus Deus: Die omni volucri, et universis avibus, cunctisque bestiis agri: Convenite, proper a te, concurrite undique ad victimam meam, quam ego immolo vobis, victimam grandem super montes Israël: ut comedatis carnem, et bibatis sanguinem.

dal der reizigers, oostwaarts van de zee, dat de voorbijgangers zal doen verstommen; en aldaar zal men Gog begraven en zijne gansche menigte, en het zal heeten het dal der menigte van Gog8).

12. En zij, het huis Van Israël, zullen hen begraven om het land te reinigen, zeven maanden lang9).

13. En al het volk des lands zal hem10) begraven; en het zal hun een vermaarde dag zijn, waarop Dc Mij verheerlijk, zegt de Heere God.

14. En vaste mannen zal men aanstellen, die het land doorkruisen om te begraven en degenen op te zoeken, die achtergebleven zijn op de oppervlakte des lands, ten einde het te reinigen; na de zeven maanden nu zullen zij beginnen op te zoeken.

15. En zij zullen rondgaan, het land doorkruisend; en als zij een menschengebeente zien, zullen zij daarbij een merkteeken plaatsen, totdat de lijkgravers het begraven in het dal der menigte van Gog.

16. En de naam eener stad zal zijn Amona11); en zij zullen het land reinigen.

17. Gij dan, menschenzoon, dit zegt de Heere God12): Zeg tot al wat gevleugeld is en tot alle vogelen en tot alle wilde dieren des velds: Komt samen, spoedt aan, snelt van alle zijden bijeen tot mijn offermaal, dat Ik slacht voor u, een grootsch offermaal op de bergen van Israël, om vleesch te eten en bloed te drinken13).

8) Het dal der reizigers, Hebr.: «der oberim» (d. i. «der doortrekkenden»), zinspeelt op den naam van het gebergte Abarim (vgl. Num. XXVII 12), oostwaarts van de Doode Zee. Aldaar zal de begraafplaats zijn der legerscharen van Gog, die het land van Israël doortrokken. Om de menigte der graven zal het dal de voorbijgangers doen verstommen; doch naar de Septuag.: «en zij zullen den ingang van het dal af sluiten» om de onreine plaats aan het gezicht te onttrekken.

") Zeven maanden (zie noot 6), zoo

talrijk zijn de lijken. Zie Num. XIX 11—18 voor de verontreiniging door lijken.

10) Septuag. «hen».

") Dat «menigte» beteekent; zie v. 11 en 15. Deze naam moet het aandenken aan dat reuzenwerk levendig houden.

r) Zesde strophe (v. 17—22).

") Het bloedbad, dat God onder zijne vijanden aanricht, is in zekeren zin een bloedig offermaal, dat Hij bereidt, evenals Is. XXXIV 6 volg. De genoodigde gasten zijn de roofdieren,

Sluiten