Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

prsevaricati sunt in me, cum habitaverint in terra sua confidenter neminem formidantes:

27. Et reduxero eos de populis, et congregavero de terris inimicorum suorum, et sanctificatus fuero in eis, in oculis gentium plurimarum.

28. Et scient quia ego Dominus Deus eorum, eo quod transtulerim eos in nationes, et congregaverim eos super terram suam et non dereliquerim quemquam ex eis ibi. Supra XX 23 et XXXVI 23.

29. Et non abscondam ultra faciem meam ab eis, eo quod effuderim spiritum meum super omnem domum Israël, ait Dominus Deus.

heid, waarmede zij tegen Mij ontrouw pleegden, wanneer zij in nun land veilig wonen, niemand vreezende,

27. en Ik hen heb teruggevoerd uit de volken en hen verzameld uit de landen hunner vijanden en Ik Mij aan hen heilig voor de oogen der zeer vele volken.

28. En zij zullen weten, dat Ik, de Heer, hun God ben, omdat ik hen heb weggevoerd naar de volken en Ik hen verzameld heb in hun land en niemand van hen aldaar heb achtergelaten.

29. En Ik zal mijn aangezicht niet meer verbergen voor hen, omdat Dx mijnen geest heb uitgestort over het geheele huis van Israël, zegt de Heere God18).

CAPUT XL.

HOOFDSTUK XL.

De nieuwe tempel. Inleiding (v. 1—4). Het buitenste voorhof met zijne poortgebouwen en cellen (v. 5—27); het binnenste voorhof met zijne poortgebouwen en cellen (v. 28—47). Het tempelhuis: zijn portaal (v. 48—49).

1. In vigesimo quinto anno transmigrationis nostras, in exordio anni, deoima mensis, quartodecimo anno postquam percussa est civitas: in ipsa hac die facta est super me manus Domini, et adduxit me illuc.

1. In het vijf en twintigste jaar onzer wegvoering, in het begin des iaars, den tienden der maand, in het veertiende jaar nadat de stad geslagen was, op dien eigen dag kwam op mij de hand des Heeren, en Hij bracht mij derwaarts1).

XX 43; XXXVI 31. Anderen vertalen, met eene geringe wijziging van het Hebr.: «zij zullen hunnen smaad vergeten» enz., d. i. door niets meer aan hunne straf en schuld herinnerd worden.

1S) Zie XXXVI 27. Gods heilige geest zal het ware Israël tot een heilig volk maken, dat Gods ongenade niet meer heeft te vreezen.

*) i De profetie betreffende de herstelling van Israël na de ballingschap wordt besloten met het visioen van XL—XLVHI, dat één doorloopend en samenhangend geheel vormt. Het beschrijft in zinnebeelden de inrichting, de heiligheid en de algemeenheid van

het nieuwe Rijk Gods. In bijzonderheden afdalend teekent de profeet den nieuwen tempel met zijne voorhoven, cellen enz.; verder hervormt hij de Levietische priesterschap, regelt den nieuwen eeredienst, het herstelde koningschap met zijne plichten en rechten en geeft ten slotte eene nieuwe verdeeling van het beloofde land onder de stammen van Israël. Hiermede echter wil de profeet niet vaststellen wat bij de herstelling van Israël werkelijk geschieden moet. Hij geeft alleen eene zinnebeeldige voorstelling van hetgeen in het nieuwe Rijk Gods op geestelijke wijze zou worden verwezenlijkt. — In hei vijf en twintigste jaar, in 573 v.

Sluiten