Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

circuitum, fundata latera ad mensuram calami sex cubitorum spatio:

9. Et latitudinem per parietem later i s forinsecus quinque cubitorum: et erat interior domus in lateribus domus.

10. Et inter gazophylacia latitudinem viginti cubitorum in circuitu domus undique,

11. Et ostium lateris ad orationem: ostium unum ad viam aquilonis, et ostium unum ad viam australem: et latitudinem loei ad orationem, quinque cubitorum in circuitu.

12. Et aedificium, quod erat separatum, versumque ad viam respicientem ad mare, latitudinis Septuaginta cubitorum: paries autem aedificii, quinque cubitorum latitudinis per circuitum: et longitudo ejus nonaginta cubitorum.

13. Et mensus est domus longitudinem, centum cubitorum: et quod separatum erat aedificium, et parietes ejus, longitudinis centum cubitorum.

14. Latitudo autem ante faciem domus: et ejus, quod erat separatum contra orientem, centum cubitorum.

15. Et mensus est longitudinem aedificii contra faciem ejus, quod

verhevenheid in het rond, de grondslagen der zijkamers, naar de maat der roede, zes el in ruimte8);

9. en de breedte van den muur, dien het zijgebouw aan den buitenkant had, vijf el; en het binnenste huis was aan de zijgebouwen van het huis9).

10. En tusschen de cellen eene breedte van twintig el rondom het

huis aan alle kanten.

11. En de deur van het zijgebouw leidde naar de bedeplaats, eene deur noordwaarts en eene deur zuidwaarts; en de breedte der bedeplaats, vijf el in het rond10).

12. En het gebouw, dat afgescheiden was en in de richting naar de zee gekeerd11), had zeventig el breedte; en de muur van het gebouw vijf el breedte in het rond; en zijne lengte12) bedroeg negentig el.

13. En hij mat de lengte van het huiB**), honderd el; en het gebouw, dat afgescheiden was, had met zijne muren eene lengte van honderd el14).

14. En de breedte aan de voorzijde van het huis en van datgene, wat afgescheiden was, naar de oostzijde, was honderd el15).

15. En hij mat de lengte van het gebouw, tegenover datgene, wat af-

8) Op deze verhevenheid van zes el, boven het binnenste voorhof zich verheffend, stonden de zijkamers; zie D D D.

*) In de Septuag, is in het tweede halfvers sprake van eene open plaats of vrije ruimte tusschen het zijgebouw en (v. 10) tusschen de cellen of het cellengebouw, dat XLII 1 volg. nader beschreven wordt. Deze ruimte (Fig. 5 R) wordt in v. 12 Hebr. «de gizrah» geheeten, eigenlijk «het afgesnedene», omdat deze ruimte, in de naaste omgeving des tempels,, niet voor ieder toegankelijk was. Zij was naar v. 10 twintig el breed.

") Voor bedeplaats heeft het Hebr. «moennach», dat naar de oude verta¬

lingen eene vrijgelaten ruimte beteekent, het plat der «verhevenheid» van v. 8, vijf el breed (Fig. 3 D). Men kan de deur van het zijgebouw, welke naar de «moennach» leidde, plaatsen noordwaarts x1 en zuidwaarts x'.

") Hebr.: «En het geboutrjfFig. 5 Z), dat vóór de gizrah (R) in de richting naar de zee (het westen) was gelegen», Het is waarschijnlijk een tempelmagazijn; zie I Par. XXVI 18.

««) Zie Fig. 5 f—g.

") Van het tempelhuis; " zie Fig. 5 e—h.

") Hebr.: «en de gizrah (R) en het gebouw (Z) met zijne muren, de lengte honderd el» (h—M).

") Zie Fig. 5 1—m.

VI

48

Sluiten