Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Et vidi visionem secundum speciem, quam videram, quando venit ut disperderet civitatem: et species secundum aspectum, quem videram juxta fluvium Chobar: et cecidi super faciem meam. Supra IX 1; Supra 11.

4. Et majestas Domini ingressa est templum per viam portas quas respiciebat ad orientem.

5. Et elevavit me spiritus, et introduxit me in atrium interius: et ecce repleta erat gloria Domini domus.

6. Et audivi loquentem ad me de domo, et vir qui stabat juxta me,

7. Dixit ad me: Fili hominis, locus solii mei, et locus vestigiorum pedum meorum, ubi habito in medio filiorum Israël in asternum: et non polluent ultra domus Israël nomen sanctum meum, ipsi, et reges eorum in fornicationibus suis, et in ruinis regum suorum, et in excelsis.

8. Qui fabricati sunt limen suum juxta limen meum, et postes suos juxta postes meos: et murus erat inter me et eos: et polluerunt nomen sanctum meum in abominationibus, quas fecerunt: propter quod consumpsi eos in ira mea.

9. Nunc ergo repellant procul fornicationem suam, et ruinas regum suorum a me: et habitabo in medio eorum semper.

3. En ik zag het gezicht als de verschijning, die ik gezien had, toen Hij kwam om de stad te verdelgen8); en de verschijning was naar het gezicht, dat ik gezien had aan den stroom Chobar; en ik viel op mijn aangezicht4)»' v

4. En de heerlijkheid des Heeren ging den tempel binnen langs den weg der poort, welke oostwaarts

5. En de geest nam mi] op5) en bracht mij in het binnenste voorhof; en zie, het huis was vervuld van de heerlijkheid des Heeren.

6. En ik hoorde tot mij spreken uit het huis; en de man, die naast mij stond,

7. zeide tot mij6): Menschenzoon, dit is de plaats van mijnen troon en de plaats van mijne voetzolen, alwaar Dc woon in het midden der kinderen van Israël, voor eeuwig'); en niet meer zullen zij, het huis van Israël, mijn heiligen naam onteeren, zij en hunne koningen, met hunne hoererijen en met net verderf hunner koningen en op de hoogten8).

8. Zij toch hebben hunnen drempel gemaakt naast mijnen drempel en hunne deurposten naast mijne deurposten; en er was (slechts) een muur tusschen Mij en hen»); en zij hebben mijn heiligen naam onteerd door de gruwelen, die zij bedreven hebben; daarom heb Dc hen verdelgd in mijnen toorn.

9. Dat zij nu dan hunne hoererij en het verderf hunner koningen verre verwijderen van Mij; en Dc zal wonen in hun midden voor immer.

Zie VIII—XI vgl. Is. LX 13 en LXVI 1; Thren. II 1.

X 7 ! 11—111 6) Door hunne hoererijen, d. ï. door

*. ?\l Til 12 allerlei afgoderij, en door het verderf,

« Hebr - «en de man (de engel van aangericht door.Atmne koningen, en

XL^volgjVtonantstmijlenHi^od) door de ^%ZLXè ^o-

^T^ónta^vooreeuwig.om- mijnen tempel opge™ht; vgl. IV Reg

dat het herstelde Israël een heilig en ge- XVI 10-16, XXI 4-7. vgi. az.

trouw volk zal blijven. Zie XXXVII26; 5—17.

Sluiten