Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Et de sinu terras usque ad ere- i pidinem noviasimam duo cubiti, et latitudo cubiti unius: et a crepidine minore usque ad crepidinem majorem quatuor cubiti, et latitudo cubiti unius.

15. Ipse autem Ariel quatuor cubitorum: et ab Ariel usque adsurBum, cornua quatuor.

16. Et Ariel duodecim cubitorum in longitudine per duodecim cubitos latitudinis: quadrangulatum aequis lateribus.

17. Et crepido quatuordecim cubitorum longHudinis per quatuordecim cubitos latitudinis in quatuor angulis ejus: et corona in circuitu ejus dimidii cubiti, et sinus ejus unius cubiti per circuitum: gradus autem ejus versi ad orientem.

18. Et dixit ad me: Fili hominis, hasc dicit Dominus Deus: Hi sunt ritus altaris in quacumque die fuerit fabricatum: ut offeratur super illud holocaustum, et effundatur sanguis.

19. Et dabis sacerdotibus, et Levitis, qui sunt de semine Sadoc, qui accedunt ad me, ait Dominus Deus, ut offerant mihi vitulum de armento pro peccato.

van «eene span», c—e. Voor de laatste tekstwoorden heeft de Septuag.; «en dit is de hoogte des altaars», wat bij v. 14 behoort.

-») De twee voetstukken B en «-», waarop het eigenlijke altaar D rustte, heeten beide het uitstek, omdat zij een uitsprong of een omgang van eene el breedte hadden (h—-I en k—1). Het benedenste was twee el hoog, g—n, en heet het kleinere, omdat het andere, het grootere, vier el hoog was, i—-k.

") De Ariel, dat waarschijnlijk «Gods vuurhaard» beteekent (zie Is. XXIX 1) het eigenlijke altaar D, was vier el hoog, 1—n. Aan de vier hoeken verhieven zioh vier hoornen (zie Exod. XXVII noot 3), die naar de Septuag. ééne el hoog (n—o) waren.

-1) In v 13 door definitio, afpaling, vertaald: zie nóót 18 en Fig. 4 1—p. Hier is alleen sprake van het grootere

14. En van den schoot aan den grond tot aan het benedenste uitstek twee el, en de breedte ééne el; en van het kleinere uitstek tot aan het grootere uitstek vier el, en de breedte ééne el19).

15. De Ariël zelf nu vier el, en van den Ariël opwaarts de vier hoornen*0).

16. En de Ariël had twaalf el in de lengte bij twaalf el breedte; vierkant met gelijke zijden.

17. En het uitstek had veertien el lengte bq veertien el breedte, aan zijne vier hoeken; en de krans*1) rondom hetzelve eene halve el; en zijn schoot ééne el in het rond**); zijne treden nu waren gericht naar het oosten.

18. En hij zeide tot mij: Menschenzoon, dit zegt de Heere God: Dit zijn de voorschriften aangaande het altaar, ten dage dat het gemaakt zal znn om daarop het brandoffer op te dragen en bloed te plengen23).

19. En aan de priesters en Levieten**), die uit het geslacht van Sadoe zijn, die tot Mij naderen, zegt de Heere God, om Mq te offeren, zult gij eenen var uit het rundvee geven ten zondoffer*4).

. uitstek C; doch hetzelfde gold ook voor I het kleinere uitstek B, dat bijgevolg om I den uitsprong van ééne el aan weerszijden (v. 14) zestien el lang en breed was en eveneens eene omlijsting of eenen krans (i—q) had.

-») Het grondvlak A had een uitsprong van ééne el en was dus achttien el lang en breed. I ») Het brandoffer wordt alleen verI meld als het voornaamste offer. Zie voor het plengen van het bloed Lev.

1 -n° d. i. Aan de Levietische priesters; zie Jer. XXXIII noot 28. — Het woord is hier gericht tot Ezechiël, als ware M met de uitvoering dezer voorschriften betreffende de ontzondiging van het altaar belast. Hetzelfde geschiedt in den Pentateuch met betrekking tot Moses. Zie verder XLIV 15. i «*) Zie hetzelfde offer Exod. XXIX.

Sluiten