Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der heilige geschriften volgend, de voorbeelden van getrouwheid, welke de Pentateuch, Josuë, Samuël en Koningen vermelden, naast die, welke in deze Profetie staan opgeteekend (I Mach. II 52—60). — Terzelfder tijd werd het boek Daniël in het Grieksch vertaald, en was dus zonder eenigen twijfel de Profetie onder de heilige geschriften van den Joodschen Canon opgenomen. Ongerijmd is derhalve de veronderstelling, dat in dien zelfden tijd dit boek zou zijn geschreven en als het werk van den profeet der ballingschap aanvaard.

Duidelijk en beslissend is het getuigenis van Christus aangaande de echtheid en de goddelijkheid der Profetie, waar Hij herinnert aan «den gruwel der verwoesting, van welken door Daniël, den profeet, gesproken is» (vgl. Matth. XXIV 15 en Mare. XIII 14 met Dan. IX 27). Naar Christus* eigen woorden zou deze voorspelling binnen korten tijd in vervulling gaan; en alzoo erkende de Zaligmaker, dat Daniël een waar profeet is en dat zijn woord eene godspraak is in den eigenlijken zin. Hiermede bevestigde Christus tevens de overtuiging der Joden van dien tijd,1 die volgens de overlevering hunner vaderen Daniël als eenen der grootste profeten vereerden.

Ook door den inhoud en de talen der Profetie wordt het getuigenis der overlevering bevestigd. De nauwkeurige kennis der Babylonische gebruiken veronderstelt eenen schrijver, die ooggetuige en tijdgenoot was der gebeurtenissen. Immers noch de mondelingsche overlevering noch de geschriften der oudheid konden in het midden der tweede eeuw eenen schrijver zulk eene juiste kennis der burgerlijke en godsdienstige inrichtingen, der zeden en gewoonten van Babyion schenken. Want reeds spoedig was de overlevering dienaangaande met Assur en Babyion uit de geheugenis der volgende geslachten en volken bijna spoorloos verdwenen ten gevolge van de hevige beroeringen in die Aziatische gewesten. De schaarsche berichten van de heilige boeken, de weinige en niet zelden verdachte mededeelingen van Herodotus en Xenophon, van Berosus en Abydenus e. a. gaven of verkeerde of onvoldoende inlichtingen. En toch is de schrijver dezer Profetie met de gebruiken en zeden dier tijden en rijken nauwkeurig bekend. Dit getuigen de opschriften en monumenten, welke thans uit de puinhoopen van Assur en Babyion worden opgegraven. In de aanteekeningen zal hierop gewezen worden.

De talen, het Hebreeuwsch en het Arameesch, waarin de Profetie is geschreven, bevestigen eveneens hare echtheid. Het Arameesch heeft veel overeenkomst met dat van I Esdr. IV 8 tot VI 12—26; het wijkt daarentegen aanmerkelijk af van de Targums of Arameesche paraphrasen. De reden hiervan kan geene andere zijn, dan dat deze laatste vier of vijf eeuwen jonger zijn, terwijl «Daniël» en «Esdras» uit ongeveer hetzelfde tijdperk dagteekenen. Het afwisselend gebruik van het Hebreeuwsch en het Arameesch veronderstelt, dat de onmiddellijke lezers beide talen verstonden. Dit nu was in en kort na de ballingschap het geval. De eigenaardigheid van het Hebreeuwsch duidt eveneens op den tijd van Daniël. Want naar het oordeel van bevoegde taalgeleerden is het Hebreeuwsch van «Daniël» niet meer onzuiver dan dat van «Ezechiël». |,

Sluiten